Ma Xiu Jia

Ferdinand Bordewijk, Rood Paleis

In "Rood Paleis" tracht Ferdinand Bordewijk in 1936 een beeld te schetsen van het fin de siècle en de overgang naar de twintigste eeuw. Hij gebruikt hiervoor het procédé van de contrastering. Centraal in de roman staan twee mannen, die als de vertegenwoordigers gelden van twee tijdperken. Ten eerste is er Henri Leroy, de archetypische "heer" die in zich het mal de siècle draagt. Daarnaast en daartegenover staat Tijs Herdigein, een man die een nieuw tijdperk aankondigt.

Henri behoort tot de klasse van de heren, de bovenlaag van de maatschappij, de klasse die boven arbeiders en middenklasse staat. Het is in die klasse dat het fin de siècle zich als een virus heeft voortgeplant. Henri zegt in de roman: "De kwaal van iedere tijd is de kwaal van de machtbezitters. We noemen dat in deze tijd de heeren. De machtbezitters drukken hun stempel op hun tijd, dat is altijd zoo geweest. Deze tijd krijgt zijn stempel van de heeren. Maar macht maakt ongelooflijk weerloos tegen alle ziektekiemen. De ziekte van de heeren is het fin-de-siècle." De heren lijden aan: "De twijfel, de ontucht, de para-schaamte, de paradox, de leugen, de obsessie, de zelfontleding." (p. 112) (Dat zelfontleding deel uitmaakt van het fin de siècle kan men onder andere afleiden uit de geboorte van de psycho-analyse.) De heren zijn echter niet geneigd hun kwaal te verbergen voor anderen, ze koketteren er mee. "De machtsbezitters glimlachen elkaar toe. Ach, heb jij dat ook?" (p. 112) De heren vinden het bijvoorbeeld helemaal niet genant om gezamenlijk in de foyer van een bordeel (het "Rood Paleis" uit de titel) een avond door te brengen met een dame van lichte zeden op schoot.

Hoewel de heren maatschappelijk belangrijk zijn, zijn ze vaak op hun aanzienlijke positie beland door geboorte (zoals Henri) of door de inspanningen van een ijverig vennoot (zoals Henri"s vader). In hun eigen bedrijf zijn ze vaak niet meer dan decor. Niet gehinderd door enige kennis van zaken zit Henri elke dag voor de vorm in zijn kantoor. Hij houdt er zich onledig met dromen, met het roken van sigaretten en een het nippen aan een borrel. Voor de vorm neemt hij af en toe een brochure door. Het best is hij als schaduw van zijn vader: "Ik sta op de beurs als de schaduw van mijn vader. Maar ik verhoog zijn aanzien doordat ik een indrukwekkende schaduw ben. Zonder mij is hij heus niet veel, een man zonder schaduw is een sjlemiel." (p.12)

De machthebbers hebben tijdens de lange doodsstrijd van de negentiende eeuw (het fin de siècle loopt bij conventie door tot aan de Eerste Wereldoorlog) geen ondernemende functie meer, ze representeren een holle groep die enkel kan bestaan bij gratie van mensen als "de ouwe Tastenbreker": "Hij was van het jaar 1801, hij had Napoleon gezien, hij kwam uit een tijd toen er geen twijfel bestond. [...] Dàt was een man van beginselen [...] Het kantoor ging in die tijd om klokslag middernacht dicht. [...] Als de procuratiehouder zei: "Meneer, d"r is geen werk meer", dan antwoordde hij: "Dan maar papier knippen". En het personeel knipte blanco foliovellen in kleine vierkantjes, tot klokslag middernacht... Hij begon op het laatst van zijn leven te twijfelen [...], en die twijfel werd zijn dood. Op het laatst van zijn leven liep hij over naar het fin de siècle... " (p.14)

Naast de Tastenbrekers, die bedrijven hebben opgezet en op die manier een biotoop hebben gecreëerd waarin het type van de heer bestaanbaar is, is er ook de stille groep van mensen als Helmstrijd: procuratiehouders, gevolmachtigden, die in stilte werken, ondergeschikt aan de heren, maar die het bedrijf draaiende houden en op die manier de herenklasse op de been houden.

In dit beschutte milieu, waarin van de heren niets wezenlijks wordt verlangd, is er veel tijd tot overpeinzing en tot twijfel. Henri is verzonken ("Zijn bloed was verdwenen, het was verzonken." p.7) in een wereld van sentimentaliteit. Hij gaat vaak en graag naar het bordeel "Rood Paleis". Hij is echter -bijna uiteraard, als archetype van de heer- impotent. De heren van het fin de siècle worden immers par excellence gekenmerkt door hun bezadigde dadenloosheid. Henri gaat dan ook naar het bordeel om zijn verbeeldingskracht bot te vieren, en om te zwelgen in de bewonderende blikken van de onnozele dametjes als hij voor hen fantastische vertellingen fabuleert. Henri komt daarmee nog maar eens het stereotype na: de "heer" is niet zakelijk en krachtdadig, het is geen "no nonsense"-man die de koe bij de horens vat, het is iemand die blijft steken in een zweem van een schijnbaar originele gedachte.

Henri tenslotte is ook in zijn uitwendige gedrag pathetisch. Zijn pseudo-mannelijkheid wordt gekristalliseerd in een pseudo-snor: "De snor was te gecultiveerd, strobruin, glanzend van brillantine. Het was de snor van de ijdele, op de grens van de poen." (p. 7) De tabak die Henri zelf laat mengen is geparfumeerd met rozenolie en bevat ook een snuifje opium (het geestverruimende middel waar bijvoorbeeld ook de lethargische "The Lotos-Eaters" van Lord Tennyson zich te goed aan doen).

De klasse van de heren heeft op het ogenblik waarop deze roman zich afspeelt haar uiterste houdbaarheidsdatum overschreden. In het boek heerst er een sfeer die tegelijk dood en nieuw begin uitademt. Dit wordt eerst en vooral weerspiegelt in Henri"s denken. In één van zijn drammerige monologen tegen Tijs verzucht hij: "De tweede helft van de 19de eeuw is de periode van het meest onzinnig verval uit de geschiedenis van het mensdom. Technische vooruitgang, verbijsterend snel, en cultureel verval, even verbijsterend. Techniek heeft met cultuur niets te maken. "Ce siècle brillant et stupide", zo noemde een Fransman eens die tijd, dat wil zeggen déze tijd. Hij zette de begrippen naast elkaar. De schoonheid is een halve eeuw of langer dood, zo dood als een pier. Kijk maar naar de nieuwe buurten van de stad. Je kunt er hier je hart aan ophalen. Allemaal wezenloos. De muziek wuft en wezenloos. De schilderkunst sjagrijnig en wezenloos. De mode belachelijk en wezenloos... Nog een borrel?" (p.11). Deze visie is er één waar elke generatie zich aan bezondigd en die door de volgende generatie onveranderd weggerelativeerd wordt door te wijzen op de eigen "teloorgang van de waarden". Wat nazi-Duitsland verketterde als "Entartete Kunst" wordt nu met dure woorden en duurder prijzen zalig verklaard. Een soortgelijk gevoel wordt uitstekend verwoordt door Oscar van den Boomgaard, in diens roman "Fremdkörper": "De tijd der ouders, slechter dan de grootouders, heeft ons, die weer slechter zijn dan zij, voortgebracht, en wij zullen spoedig een nog bedorvener nakomelingenschap verwekken. Dit zei Horatius in zijn Carmina, dit schreef mijn grootvader tweeduizend jaar later over in zijn schrift waarop hij in krulletters "gevleugelde woorden" had geschreven. Hoe slecht moest ik mij nu als kleinzoon, nog bedorvener dan hij, die op zijn beurt al zo ontzettend slecht was, wel niet voelen? Met de gedachte dat een nog slechter nageslacht mij zou opvolgen kon ik mijzelf misschien nog geruststellen."

Tekenen van dood en verderf zijn ook volop aanwezig binnen de muren van "Rood Paleis", de plaats waar het voor Henri goed toeven is. De "meisjes", van wie men zou verwachten dat ze er wat "smakelijk" uitzien, hebben zonder onderscheid minstens één onvolkomenheid, en worden in bepaalde gevallen zelfs expliciet met dood geassocieerd. Zo wordt "de deerne Lucidarme" consequent met het epitheton "doodskopje" verbonden. Een ander meisje is Contrepartie: "Het meisje Contrepartie begon te zingen. Het was een Frans meisje, een vreselijk meisje. Deze Contrepartie was zeer menselijk, van een verwoeste menselijkheid, een mens op het uiterste. Haar doodsstrijd duurde al jaren." (p.39) Iets verder in de roman sterft zij dan ook effectief.

Een speciale plaats in "Rood Paleis" nemen de vele gedrochtelijke wezens in. Er is ten eerste het bizarre trio Eduard ("de man op zijn dierlijkst. In plaats van een voorhoofd had hij krullen. [...] Zijn kop zat aan zijn schouders met een kleine stapel zachte ringen, zijn armen waren dijen, zijn dijen rompen."), Benjohan ("een mannelijke hermafrodiet.[...] hij leed aan de ziekte van Addison. Zijn gelaat en zijn handen waren bronsgroen, het trok langzaam over zijn hele lijf.") en Fré ("Het was een wezentje om van te griezelen. [...] Het was op een onbepaalde manier niet af, het was foetus gebleven."). Daarnaast is er ook de "rottenkoning", waarmee Fré de meisjes bedreigt die weigeren te doen wat hen gevraagd wordt: "Het was een hele klomp ratten, rioolratten met vastgekleefde, ineengegroeide staarten. De ratten, door raadselachtige ziekte walgelijk gekoppeld, vormden de koning." Ook zijn er de vele bevreemdende wezens en gruwelijke ziektes die voorkomen in de verhalen die Henri in "Rood Paleis" vertelt: "Een hele klomp van beenderen zat in de voet. De man merkte niet dat ik er in kneep. Ik voelde onder mijn vingers iets vergruizelen, maar de voet was gevoelloos. Toen begreep ik dat het een Madoera-voet was, zo heet die ziekte, en dat hij eraan zou sterven." Tenslotte zijn er in "Rood Paleis" de "galanachten". Deze nachten van gesuggereerde sexuele excessen zijn gebeurtenissen die door Bordewijk bewust vaag gehouden worden. (Waarschijnlijk speelt daarin de tijdsgeest en de daarmee samenhangende literatuuropvatting. Tegenwoordig bewijzen auteurs als Tom Lanoye en Allan Hollinghurst dat de opvattingen omtrent literatuur wat dat betreft mijlenver verlegd zijn.) Henri heeft een diepe afkeer van die nachten: "Als Henri Leroy had kunnen haten zou hij de waardin hebben gehaat om deze galanachten. [...] Het was geen verval meer van menselijkheid, het was slopen met de moker."

De verantwoordelijke voor die galanachten, mevrouw Doom, is in dit alles een geval apart: ze maakt deel uit van de oude eeuw, maar is in zekere zin ook gangmaakster voor de nieuwe eeuw. Ik zal dan ook later op deze figuur terugkomen.

Naast de vele tekenen van dood en verderf, zijn er echter ook duidelijke aanwijzingen naar een nieuw begin. Allereerst is in een nieuw begin een belangrijke functie voor de "deernen" weggelegd. Het is alweer Henri die dit inziet: "Hij geloofde aan iets nieuws. [...] Dit huis zag hij als een slagveld. [...] Want waar de contrasten zo schrijnend waren, tussen heren en deernen, de afgronden zo ontzaglijk en onoverbrugbaar, tussen heren en deernen, daar moest er een van beiden ondergaan. Daar moesten beiden ondergaan. De deernen ondergroeven de burcht der heren." "Rood Paleis" is dus de laatste burcht van de heren, en staat tegelijk symbool voor de ondergang van die heren. Het afnemend bezoekersaantal wijst er al op dat de klasse uitgedund wordt. Als het uiteindelijk sluit, is er ook de Eerste Wereldoorlog, en het einde van het fin de siècle.

Tijs Herdigein typeert de generatie die na het fin de siècle opstaat en de plaats van de heren inneemt. De sentimentaliteit die de heren typeerde maakt plaats voor een zakelijke hardheid en daadkracht. Waar Henri een uiterst gecultiveerde snor draagt, heeft Tijs een baard van koperdraad. Henri rookt zijn geparfumeerde sigaretten, Tijs stapt al snel over op sigaren. Hij voelt de drang zichzelf te bewijzen. Het is hem te min in de schaduw van iemand te blijven hangen. Hij bezoekt "Rood Paleis" eerst met Henri, maar gaat al snel alleen, of gaat samen met Henri om dan in een andere hoek van de salon plaats te nemen. Als "nieuwe man" is hij uiteindelijk ook niet in staat de passieve lethargie van Henri vol te houden: hij belandt uiteindelijk met Finda in bed, hoewel hij zichzelf sterk had voorgenomen niet te "vallen". Na die eenmalige val gaat hij nooit meer naar "Rood Paleis".

Tijs heeft vijftien jaar in Indië doorgebracht. Hij was er vijftien jaar consul van Siam en heeft daar een lintje gekregen. Die periode lijkt hem hard te hebben gemaakt: "Het hoofd van de bruine Tijs Herdigein was klein, zwartgebaard, gezengd in de tropen. Zijn bloed was verdampt, zijn oogwit zag ziek, galgeel. Hij droeg geen lood vet, hij was opgetrokken uit de taaiste pezen." (p.7) In Nederland terug vat hij de koe bij de hoorns. Al snel vindt hij een toekomstige echtgenote, waarmee hij zich echter niet verloofd, "hij is te oud voor die gekkigheid". Hij doet wat beleggingen bij het bedrijf van Henri en zal uiteindelijk een eigen autohandel oprichten waarmee hij tijdens de oorlog schatrijk zal worden. Deze Tijs is de nieuwe zakelijke man die uit de vorige eeuw genomen heeft wat hij kon om dat in de nieuwe eeuw te gelde te maken. Een sleutelpassage volgt wanneer Tijs voor het laatst bij Henri (die zichzelf dan Hendrik noemt, cfr. infra) op bezoek gaat: "Ik heb vroeger wel eens gedacht, je reikt naar de overkant. Dat is niet waar, je bènt de overkant. Je bent nooit aan deze kant geweest. De eeuw had op jou nooit vat kunnen krijgen." (p.166)

Mevrouw Doom (Keetje voor enkele dichte kennissen in Nederland, Cornélie voor madame Corymbe, haar leermeesteres in Marseille) staat als enige vrouw tegenover alle mannenfiguren in de roman. Zij is een prototype van verschillende types vrouwen. Ze is ten eerste "Een overweldigend sombere verschijning. Een noodlotsfiguur, groot en compact. Een wezen in zwarte zij, dik en ruisend, doodsbleek geblanket, met zware wallen om ogen, onmenselijk somber." Dit is de hoerenwaardin die elke avond om half elf voor de heren in de salon verschijnt. Als zij de meisjes aanzet om te zingen en te musiceren ("Vrolijkheid voor de heren!") laat ze het goede pianowerk van het ene meisje teniet doen door het slechte gezang van een ander: "De heren hielden van vrolijkheid. Maar ze gaf het alleen zoals ze het zelf opvatte. Het moest vooral niet te zoetelijk worden. [...] Wat de een bereikte, moest de ander afbreken." Haar naam lijkt vooral betrekking te hebben op deze eerste verschijning: "doom" is verwant met het Engelse "doom" waarvan de betekenis kan liggen tussen lot, vloek, doem, ondergang, val of voorbestemdheid (dezelfde stam is trouwens terug te vinden in Nederlandse woorden als doem, verdoemen, verdoemenis,...). Haar naam verwijst dus indirect naar de ondergang van de heren, van de "deernen" ook. (De naamgeving is trouwens een erg bijzonder aspect in deze roman: de drie gedrochtjes krijgen een korte naam zonder familienaam, en ook de meisjes krijgen bevreemdende, schijnbaar - Maar is dit wel echt zo? De vraag houdt me bezig maar de opzet van deze bespreking is te beperkt om er dieper op in te gaan. - niets betekenende namen als Labelliflos, Friolise, Chabran of Fibris, eveneens zonder familienaam. De hond, de enige die in "normale" kringen een korte en vreemde naam krijgt, heeft als enige een volledige naam "Walter Leopold van Brandhuizen". Deze naam heeft een ruimere betekenis: het "Brandhuizen" verwijst ondubbelzinnig naar de brand die "Rood Paleis" op het einde van het boek in de as zal leggen. Het is naar die eerste mevrouw Doom dat Henri"s genegenheid aanvankelijk uitgaat: "Er bestaat voor mij in dit huis maar één wezen... Dat is de waardin. Voor die vrouw heb ik ontzag." (De waardering evolueert echter mee met de verschillende gedaantes van mevrouw Doom die hij achtereenvolgens te zien krijgt).

Een tweede mevrouw Doom, die Henri echter nooit te zien krijgt, is de huismoeder. Het is de mevrouw Doom die "s morgens aan het hoofd van de tafel met haar "meisjes" ontbijt. "Aan het ontbijt was mevrouw Doom op haar best. [...] Ze was hier in de keuken niet bepaald een moeder, toch een huismoeder, een denderende gestichtsmoeder van de meisjes. De bewoonsters voelden zich des ochtends onder haar als een familie. Ze zat te grollen met de hele tafel, de pensionaires, de diensters, de kokkin." In de loop van de dag wordt ze onveranderlijk somber. "Als het huis openging gaf zij een indruk van overweldigende noodlottigheid." Ze verandert in de eerste mevrouw Doom, en doet met die "noodlottigheid" haar naam alle eer aan.

Een derde mevrouw Doom wordt ten tonele gevoerd tijdens de treinreis die Henri en mevrouw Doom naar Marseille ondernemen. Henri raakt onder de indruk van "Een bijna-dame, en in zekere zin meer dan een dame. Zoals ook een vorstin geen dame is, maar meer." (p.131)

Een vierde mevrouw Doom is de mevrouw Doom die bij vergelijking met haar oorspronkelijke mentrix, madame Corymbe, een hoerenwaardin in Marseille. Henri bemerkt dat deze Doom met het door haar opgezette (weliswaar -en niet zonder betekenis- met geld geleend van de "heer" Hulbert, gemoedelijk grootvader genoemd door de meisjes) "enig bordeel van Mokum, maar een verpletterend huis." haar voorbeeld ("het onaanzienlijk gebouwtje") overtrof. Waar hij haar voorheen gemoedelijk met "tantetje" aansprak, wil hij nu "zijn handen op haar schouders leggen, haar zachtjes schudden en rondweg, eerlijk, vertederd en bewonderend zeggen, niet tantetje, maar: Wijf!" Henri maakt hier kennis met de Doom op het toppunt van haar kunnen, dat nauw samenhangt met de apotheose van de herenstand. Mevrouw Doom is enkel bestaanbaar in een wereld waar heren zijn om haar Paleis te bezoeken. Die heren verdwijnen in 1914, het lethargische fin de siècle loopt in climax ten einde. Europa, het oude continent, staat in brand, en als symbool daarvoor brandt het "Rood Paleis" tot op de grond af. Op dat ogenblik zien we ook de vijfde en laatste mevrouw Doom. "Een uitgezakte vrouw in het grijs [...] Het gelaat was zeer groot en hevig, maar heel anders dan vroeger. Het was niet geblanket, het vel geel en slap, oud vel gelooid door het jarenlang opmaken. Het haar was niet zwaar en zwart, flodderig grijs en dun. De paardetanden waren verdwenen. De mond was de mond van een bes. De stem was nog hees, maar lispelde tandeloos. De kin, ingekort, maakte het grote gelaat thans breder dan lang, meer een karikatuur, op de grens van een nachtmerrie. En bij dit alles kwamen de sombere ogen tot meerdere luister, tot meerdere demonie, in hun verschrikkelijke kringen van zwart. Hij begreep dat dit de ware mevrouw Doom was die hij nooit had gekend." (p.168)

Als symbolisch einde van het fin de siècle maakt Henri een veelzeggende evolutie door. Plots voelt hij afkeer van zijn vader, die een typisch vertegenwoordiger is van de stand der heren. Hij verandert zijn naam in het oerdegelijke Hollandse Hendrik Lorrewa. Deze naam heeft Henri nog breeduit bekritiseerd tegen Tijs: "De verbastering van de naam is ook altijd samengegaan met een vulgarisering van de drager. De Lorrewa"s zijn werklui, of hoogstens kleine fabrikanten geworden. Ik heb er God zij dank niks mee te maken. Zelfs in mijn positie van schaduw zou ik me schamen Lorrewa te heten." (p.71) De naam is voor Henri dus een aanduiding van een zeker prestige, en verraad bovendien zijn affiniteit voor de Franse cultuur. Deze affiniteit is op verschillende plaatsen in de roman te merken. Ten eerste is het zo dat Henri zijn permanente geblaseerdheid en lusteloosheid van zich af voelt vallen in de trein naar Marseille: "Toen zij de grens van Frankrijk passeerden kwam het over hem. Chacun a deux pays, le sien et puis la France. [...] Iedere korrel grond was hier anders. Frankrijk stond onder een stolp van eigen lucht. Het was de geschiedenis der wereld, van haar smaak, haar levenskunst. Voor alle dingen der wereld moest men tenslotte bij Frankrijk terecht. Hij was de obsessie van het fin-de-siècle kwijt." (p.128-129) Frankrijk blijkt een verlossing uit het fin de siècle. Wanneer de oorlog uitbreekt, en tijdens de algemene mobilisatie blijkt dat Henri vrijgesteld is van dienst, vat hij dat als een ontzettende vernedering op. Hij komt er voor het eerst toe zijn vader te haten. Zijn vroegere "houden van" zijn vader ("omdat men nu eenmaal van zijn vader houdt") slaat om in een afkeer van de man die nooit iets gebouwd heeft. Hij ziet zijn bewondering voor de daadkrachtige Tastenbreker onder ogen. Hij gaat dan ook zelf over, voor het eerst in zijn leven, tot doen. Hij scheert zijn snor af, hij ruimt zijn kantoor en hij maakt plannen om zich in het Frans vreemdelingenlegioen te melden. Dit alles is een erg betekenisvolle aflegging van zijn herenstatus. Het scheren van de pathetische snor kan men opvatten als een symbolisch verzaken aan de eigen sentimentaliteit, net als het ruimen van zijn kantoor. Hij vernietigt daarbij meerdere brieven en zelfs twee bedrijven van een zelf geschreven toneelstuk, symbolen voor sentimentele verbeeldingskracht, in kleine snippers scheurt. Zijn keuze voor het Frans vreemdelingenlegioen zou men kunnen opvatten als een laatste vastklampen aan de herenstand, maar dat is niet zo. Uit het vermelde citaat blijkt dat hij Frankrijk ziet als een wereld in het klein, als plaats waar alles in de kiem aanwezig is. Zijn "strijden voor het behoud van de Latijnse cultuur" is volgens mij dan ook zo op te vatten: hij wil strijden voor het behoud van mogelijkheden voor een nieuwe tijd. Zijn vroeg aangekondigde dood aan het front ("zijn dood, tot hij viel, later, onder de kogel, - gestorven nog eer de dragers met hem het veldlazaret hadden bereikt. p.90) is dan ook tegelijk het einde van de oude eeuw.


Bronnen

Ferdinand Bordewijk, Rood Paleis, Querido, Amsterdam, 1993

J.M.J. Sicking, F. Bordewijk - Rood Paleis, in: Lexicon van Literaire Werken, Aug. 1995, 27