Ma Xiu Jia

Cees Nooteboom, Rituelen

Met 'Rituelen' forceerde Cees Nooteboom zich 35 jaar na zijn prozadebuut 'Philip in de anderen' (1955) een internationale doorbraak.

Het boek past in de literaire stroming die de werkelijkheid bevraagt, die de grenzen van de fictie aftast en de problematische verhouding tussen die twee elementen thematiseert. In 'Rituelen' vertrekt Nooteboom vanuit een basisopvatting die orde in het universum als onmogelijk afdoet. Hij werkt dit gegeven onder andere uit in het schetsen van zijn drie hoofdfiguren en in zijn associatieve en niet-rechtlijnige manier van vertellen.

Verschillende critici, waaronder Jaap Goedegebeure en Henk Harbers, vermelden dat wat volgens mij het centrale thema is in de roman: de onmogelijkheid om orde te scheppen in de chaos van de realiteit, de herinnering en de voortschrijdende tijd. De verschillende acten die Inni Wintrop, Arnold Taads en Philip Taads stellen zijn individuele pogingen om vat te krijgen op de augiasstal om en in hen. De drie vertolken elk een eigen antwoord, maar steeds blijken die onvoldoende om onvrede en onbehagen geheel weg te nemen.

Inni Wintrop, de eigenlijke protagonist, heeft een heilige schrik van chaos (op pagina 23 staat letterlijk: "Er stond nu niets meer vast. Dat was de chaos, en chaos was wat hem het meeste angst aanjoeg in zijn leven."). Hij is echter niet begenadigd met een goed geheugen, een geheugen dat hem eventueel zou kunnen helpen structuur aan te brengen in zijn leven. Inni is iemand "die de tijd die hij op aarde heeft doorgebracht als een amorfe massa achter zich aansleept" (p.35). Die amorfe massa bevat "zowel zijn herinnering als zijn gebrek aan herinnering" (p.35).

Inni kent "vele gedichten uit de Nederlandse literatuur uit het hoofd" (p.12), maar daartegenover staat dat hij zijn eigen verleden slechts sporadisch, fragmentair en volledig buiten zijn eigen wil om voor zijn geestesoog verschijnt. Nooteboom trekt dit door tot in het absurde. In het aan Inni gewijde openingsdeel ('Intermezzo - 1963', dat jaartal heeft overigens een symbolische waarde, maar daar kom ik later op terug) beschrijft hij hoe Inni zonder uitzondering in het midden van de nacht wakker wordt en 'een beetje sterft'. Net zoals de vele mensen die een 'bijna-dood ervaring' hebben doorgemaakt ziet Inni een film van zijn leven, maar die film is niet scherp en allesomvattend. Wel krijgt Inni een teleurstellende "grijze film met af en toe een sequence waarop hij, klein of al wat groter, in kleine, abrupte scènetjes meespeelde, gebeurtenissen zonder veel verband of ook wel langdurige stills van voorwerpen die op de een of andere onverklaarbare manier op de lege zolder van zijn geheugen waren blijven staan, zoals een ei op een bord in Tilburg of het enorme paarse geslacht van een toevallige buurman in een urinoir aan de Schenkkade in Den Haag." (p.16). Deze onmogelijkheid om structuur aan te brengen in zijn verleden en heden hangt samen met Inni's positie in het leven: hij noemt zichzelf dilettant, "in de Italiaanse zin van het woord." (p.12) Dat is 'iemand die een kunst, vak of wetenschap uit liefhebberij beoefent en er slechts oppervlakkige kennis van een vak, een kunst of wetenschap bezit' (Van Dale).

Inni is iemand die houdt van het leven, hij wil er in opgenomen zijn en tegelijkertijd beseft hij dat hij toch maar aan de zijlijn staat. Inni voelt zich lid van een "wat vreemde club waar hij bij toeval lid van geworden was en waaruit men zonder opgaaf van redenen weer geroyeerd kon worden. Hij had al besloten die club te verlaten als de vergadering erg vervelend zou worden." (p.13) Inni is een vrijblijvend deelnemer het leven. (Inni is daardoor op en top een westerse mens: hij streeft naar 'analogie' en tegelijk ironiseert hij dit verlangen. cfr. infra).

Nooteboom lijkt hier indirect het existentialistisch godsbewijs teniet te doen. Dat godsbewijs is een element van de katholieke doctrine waarbij men stelt dat een leven zonder zin niet denkbaar is. Als het leven zin heeft moet er een 'universele zingever' bestaan. Die universele zingever vult men dan in door te spreken over God. Inni's levensfilosofie gaat daar tegenin: hij ziet zelfmoord als mogelijkheid en promoveert zichzelf daarmee tot eigen god. Als hij geen zelfmoord pleegt is dat niet omdat hij vindt dat leven een zin heeft, maar heel eenvoudig omdat het hem interessant toeschijnt. (Dat Nooteboom op de hoogte is van het bestaan van godsbewijzen kan men afleiden uit een discussie tussen Arnold Taads en een hoge geestelijke waarin Arnold zegt "U bent tot uw boord gevuld met dogmatiek, scholastiek, u kent de Godsbewijzen en wat er tegenin is gebracht,..." p.87)

Godsdienst neemt in de roman overigens een belangrijke plaats in. Godsdienst sluit nauw aan bij de in de titel vernoemde 'rituelen', en deze worden dan weer (o.a. door Henk Harbers) gekoppeld aan de tijdsbeleving in de roman. Zoals reeds vermeld proberen de drie hoofdfiguren angstvallig heerschappij te krijgen over hun leven, over hun verleden, heden en toekomst. Via rituelen, al dan niet in de primitieve zin van het woord, trachten zij hun tijd te structureren en verbanden te zien in de overweldigende hoop gegevens die hen voortdurend belagen.

Arnold Taads pareert het verlammende voortsnellen van de tijd door zijn leven minutieus in te delen in genadeloos afgemeten stukken. Bij zijn eerste bezoek aan Arnold wordt Inni en via hem de lezer geconfronteerd met de neurotisch-dwangmatige tijdsafhankelijkheid van Arnold. Nooteboom schrijft: "Een klok ergens is het huis sloeg vijf keer. Hij [Arnold] pakte een boek,..." (p.52). Iets verderop (p.54): "Om precies kwart voor zes tilde de hond zijn kop op en legde Arnold Taads zijn boek neer." Arnold, Inni en de hond maken een wandeling in Arnolds beboste tuin: (p.65)"Toen ze weer bij het huis kwamen sloeg het zeven uur."

Philip Taads, zoon van Arnold, heeft voor zichzelf een schijnbaar tegengestelde maar in feite gelijkaardige manier gevonden om te leven: hij streeft naar het niets, naar een totale ontkenning van tijd en ook ruimte. "De ruimte waar ze kwamen was zeer licht, en leek op het eerste gezicht volstrekt leeg. [...] Van Nederland was hier in ieder geval geen sprake meer." (p.142) Even verder staat: "...het slaan van een klok bracht geen merkbare verandering in de toestand aan. Tijd speelde hier dus geen rol." (p.143) Toch komt dat hierin overeen dat geen van beiden op een normale manier met tijd kan omgaan, en beide blijken ze ook een levenswijze gekozen te hebben die op termijn niet leefbaar is, aangezien ze beiden min of meer zelfmoord plegen. Inni staat wat dat betreft als antagonist tegenover hen.

Over de diepere waarde van deze verschillende uitingen van tijdsbeleving, en daarmee samenhangend de poëtica van Nooteboom baseer ik mij op het diepgravende artikel "Onromantische romantiek of waarom Petra Golden Fiction rookt - Over Cees Nootebooms roman 'Rituelen'" van Henk Harbers. Hij haalt daarin een interview aan waarin Nooteboom zijn bewondering uitspreekt voor bepaalde theorieën van de Mexicaan Octavio Paz. Deze stelt dat (in de Engelse en Duitse romantiek, het Franse symbolisme, het Spaans-Amerikaanse modernisme en de avant-gardes van het begin van deze eeuw) de dichters uit onvrede met het maatschappelijk overheersende rationalisme een oude traditie gaan herontdekken. Die traditie, een "visie op het universum als ineensluitend systeem", noemt hij "analogie". Voor de betrokken dichters en literatoren is het tijdsbewustzijn van de moderne westerse wereld van cruciaal belang. Doorheen de geschiedenis heeft men de heterogeniteit van de tijd ('de verandering door de opeenvolgende tijd') op verschillende manieren benaderd, waarbij men steeds trachtte een tijdsconcept te handhaven waarbij geen verandering meer zou zijn. Primitieve samenlevingen zagen heil in de cyclische idee van een eeuwig herhalend verleden ("het sociale leven is niet historisch, maar ritueel"). Indiërs hebben ook een cirkel, maar zij hebben een uitweg: bij de voltooiing van het karma kan men in een hiernamaals van volstrekte ledigheid verdwijnen (cfr. Philip Taads). Christenen staan dichter bij een lineair tijdsbesef: Adam heeft door een eenmalige zonde het paradijs verloren, en Christus heeft het door eenmalig lijden aan de mensheid teruggeschonken. Toch moet de mensheid eerst sterven en wachten tot het Laatste Oordeel om in die eeuwigdurende hemelse staat, dat "eeuwige heden" te mogen toeven. De huidige westerse mens heeft die paradijselijke volmaaktheid geseculariseerd en vervangen door een toekomst die (ietwat Hegeliaans) door menselijk handelen, door een mensheid in verandering moet worden gemaakt. God mag dan wel dood zijn, de mens blijft zich laven aan bepaalde ideeën die met God ten onder zijn gegaan. Het besef van de afwezigheid van een teleologische kracht leidt volgens Paz tot beklemming en ironie: men ironiseert elke gedachte aan het metafysische en tegelijk raakt men beklemt bij het denken aan de leegte die zo ontstaat.

Op die manier komen we terug bij de "analogie"-traditie. Nooteboom zelf verwoordt zijn visie als volgt: "Het analogische is een bepaald verlangen naar een archaïsche samenleving en het ironische is: wereldwijs, van God los, bezig zijn wat er nog aan archaïsche samenlevingen rest om zeep te helpen. [...] je draagt als het ware twee mensen mee, één met een hang naar het eeuwige, en één die dat perfect ironiseert."

In 'Rituelen' speelt Nooteboom met eenzelfde gedachte van onbestemd verlangen naar verloren gegane primitiviteit en zuiverheid. Wanneer Inni voor het eerst Philips kamer betreedt vindt hij: "Bent u veel in Azië geweest?[...] Het doet hier... Japans aan." waarop Philip repliceert: "Ik ben nooit in Japan geweest. Het tegenwoordige Japan is vulgair. Het is door ons verziekt. Het zou mijn droom verstoren." (p.144)

Ook laakt hij de inconsequentie die de mens meer algemeen aan de dag lijkt te leggen als het op religie aankomt: de westerse mens heeft lacherig God weggewuifd, maar zwelgt nog steeds in religie: "Een groep in oranje jurken gehulde, kaalgeschoren leden van de Hare Krishnasekte stak blatend en bellend het zebrapad over. [...] Zoals altijd voelde hij haat. Mensen hadden zich niet zo onbeschaamd aan een systeem over te leveren. [...] mensen konden niet alleen op de wereld zijn. Nauwelijks hadden ze de ellendige God van joden en christenen begraven of ze trokken in oranje soepjurken door de straten." (p.153) Op een andere plaats schrijft Nooteboom "De zeventiger jaren. Nog hadden ze de deur van de Kerk niet achter zich dichtgeslagen of ze kropen als bedelaars naar de blote voeten van guru's en swami's." (p.148)

Dit door Paz en Nooteboom aangereikte instrumentarium kan men ook vlot gebruiken om enkele relaties, zowel parallellen als verschillen, binnen de 'triade' van hoofdpersonen te schetsen.

De drie worden ten eerste gebonden door een verlangen naar analogie. De eerder besproken tweespalt binnen Inni kan men in de polen 'analogie' en 'ironie' sublimeren. Zijn verlangen om in het echte leven opgenomen te worden, waar hij dan geen problemen heeft met chaos uit zich bijvoorbeeld in zijn 'vrouwendienst'. Hoewel hij getrouwd is heeft hij een bloeiende buitenechtelijke praktijk. Inni koppelt die twee elementen zelf: "Die kortstondige bestijgingen, uitwisselingen, het elkaar wederzijds toedienen van haast naamloze gebeurtenissen gaven hem dan tijdelijk toch nog het gevoel dat hij bestond." (p.19). De 'ironiserende' kant van Inni zorgt ervoor dat hij beseft zelfs op die ogenblikken niet opgenomen te zijn in het echte leven: "Er brak een kracht in haar los waardoor ze alles kon wat hij nooit zou kunnen, haar naam vergeten, dit huis, deze kamer en hem en toch was hij het die ze bij zijn flanken pakte en over haar heen wentelde en naar binnen trok." (p.97) In het leven opgenomen worden staat hier gelijk met het afleggen van de individualiteit.

Nu is het zo dat niet alle critici deze 'vrouwendienst' koppelen aan het verlangen en onvermogen in het leven te worden opgenomen. Zo beschouwt Maarten van Buuren het als de verschalking van een noodlot, met name dat van de schuldgevoelens bij een zoon door verdwijning van zijn vader. De "verdwenen vader"-problematiek wordt door van Buuren meteen ook tot centrale thema gepromoveerd. Hoewel ik persoonlijk vind dat van Buuren hier overgeneraliseert, moet het toch gezegd dat hij terecht op verscheidene motieven wijst. Daarnaast bezorgen zijn stellingen elke aandachtige lezer een bijzondere gevoeligheid voor deze thematiek, die door het boek van Nooteboom zeker niet afgestraft wordt.

Er is bijvoorbeeld de overduidelijke moeder-thematiek in oedipale traditie ("Nog nooit had hij zo van haar gehouden, het liefst was hij met zijn hoofd en dan pas de hele rest bij haar naar binnengedrongen en daar verder altijd gebleven." p. 24) Dit wordt gecombineerd met daarbij aansluitende verwijzingen naar de vaderfiguur. Zowel Inni als Philip hebben een vader die hen in hun vroege jeugd heeft verlaten. Arnold Taads, de vader van Philip, verwijst expliciet naar die omstandigheid: "Sartre zegt dat als je geen vader hebt je ook geen super-ego hoeft mee te torsen. Geen vader op je rug, geen dwingende regulerende factor in je leven. Niets om je tegen af te zetten, om te haten, om aan te refereren in je gedrag." (p. 69)

Deze uitspraak brengt me bij een ander aspect van de roman. De uitspraak sluit nauw aan bij een hypothese die men omtrent Arnold Taads zou kunnen vormen: hij is een incarnatie van consequentie en onverbiddelijke orde. Men verneemt zeventig bladzijden voorbij het citaat dat Arnold ook daadwerkelijk zijn eigen zoon heeft verlaten, als het ware om de dan nog kleine jongen te verlossen van het super-ego dat hij anders zou moeten meetorsen. Dit is natuurlijk slechts een gissing. Elders in de roman zijn voor zichzelf sprekender bewijzen te vinden voor de extreme consequentie die Arnold er in zijn leven op nahoudt. Zo is er bijvoorbeeld de verachting die hij voor alle mensen koestert "Maar mensen verachtte ik, inclusief [...] uiteraard mezelf." (p. 60). Als hij iets verder uitlegt hoe hij meent te zullen sterven, merkt Inni -innerlijk- op: "Het was de eerste keer dat iemand aan Inni Wintrop exact alle details van zijn dood verteld had, al zou die pas jaren later plaatsvinden." (p. 77)

De haat-liefde gevoelens die Inni voor Arnold heeft zijn ook ten dele vanuit die consequentie te verklaren: Inni's ongenoegen jegens Arnold ontstaat uit het feit dat Arnold hem een andere manier van denken opdringt en hangt samen met het feit dat Inni doodsbang is van verandering (" [...] dat hij de nacht voor zijn huwelijk net zulke echte tranen gehuild had [...] een peilloze angst om iets, wat dan ook, al was het maar door een teken of ceremonie, aan zijn leven te veranderen." p.11)

De aantrekking kan worden verklaard vanuit Inni's inherent verlangen naar orde, en houvast in een voortsnellende tijd, en Arnold als extreem 'lichtend voorbeeld'. Zo verzucht Inni "Bij elk belangrijk moment in je leven [...] zou je een Arnold Taads moeten hebben, iemand die je vraagt exact te beschrijven wat je voelt, ruikt, proeft, denkt bij je eerste angst, je eerste vernedering, je eerste vrouw [...] Arnold Taads had tenminste één zinnelijke ervaring voor hem geijkt, al die andere verdwenen, onherroepelijk, in latere lagen van zijn herinnering." (p. 47-48)

Er is ook de band tussen Inni en Philip Taads. Inni heeft met Philip gemeen dat hij zichzelf als 'gat' beschouwt, al vullen ze dat schijnbaar op een verschillende manier in. Inni bedoelt ermee dat hij op en top dilettant is die er geen moeite mee heeft zich in elk milieu thuis te voelen: "Een gat, een kameleon, iemand die ingevuld kon worden compleet met houding en accent, [...]" (p.14) Philip daarentegen verwijst letterlijk naar 'het gat van de Boeddhisten' (p.165). Daarmee bedoelt hij iets dat het zijn en het niet-zijn in zich draagt. Dit komt komt in feite overeen met het 'gat' van Inni. Het zich aanpassen kan enkel als men 'is', maar het houdt ook in dat men voortdurend iemand anders is, en men dus niet zichzelf kán zijn.

Inni Wintrop fungeert daarnaast op velerlei vlakken als tussenpersoon tussen vader Arnold en zoon Philip Taads.

Structureel schikt Nooteboom zijn roman op een manier die hier al op kan wijzen: het eerste deel 'Intermezzo' speelt zich af in 1963, precies tussen het tweede deel, 1953, en het derde deel, dat in 1973 kadert. De titel 'Intermezzo' (`tussenspel') an sich spreekt ook boekdelen.

Inni is ook tussenfiguur in de voor de hand liggende betekenis van 'wederzijdse bekende'. Hij kent zowel vader Arnold als zoon Philip, terwijl die elkaar net niet kennen. Zijn kennismaking met Philip Taads is grotendeels te danken aan het feit dat hij Philip kan vertellen wat voor mens diens eigen vader was.

Tenslotte is hij ook in thematisch opzicht de tussenpersoon. Philip lost het probleem van de voortsnellende tijd op door naar het absolute niets te streven, een niets waar tijd noch ruimte aanwezig is. Arnold daarentegen leeft op het ritme van de klok, hij is slaaf van de tijd en hij heeft daar in beperkte mate vrede mee genomen. Hoewel die keuzes op het eerste gezicht tegengesteld lijken, raken ze elkaar in Inni. Inni tracht beide extremen te combineren om te belanden in een leven waar hij ten volle in kan staan, en waar hij vat heeft op de tijd. De twee opties hebben overigens ook hun consequentie gemeen: zowel vader als zoon geloven oprecht in hun oplossing en zijn dan ook vastbesloten die tot op het einde vast te houden, wat voor beiden de dood betekent.

Een ietwat losstaand motief tenslotte heeft betrekking op de natuur en op dieren. Cees Nooteboom lijkt dit motief in zijn roman verwerkt te hebben om vader Arnold en zoon Philip Taads op een bijkomende manier te kunnen contrasteren. Arnold Taads enerzijds leeft in symbiose met zijn hond Athos (uit die naam blijkt overigens symbolenspel van Nooteboom: Athos is een monnikenstaat in het noorden van Griekenland). Een mooi voorbeeld van die symbiose, en ook van het suggestieve schrijven van Nooteboom: "In die stille kamer werd, als in een recitatief, het verhaal van zijn familie ontvouwd volgens het evangelie van Arnold Taads. Voor de luchtigheid van een aria was in dit vernietigende relaas geen plaats. Daartoe diende af en toe een diepe, uit een afgrond van doem en droefenis opwellende zucht van de hond die door de anonieme componist op meesterlijke wijze was aangebracht, want precies in de korte interval na de beschrijving van weer een onzin, aberratie of monsterachtigheid van een Wintrop liet de hond met groot gevoel voor effect een luchtstoot ontsnappen uit de onderaardse labyrinten waar hij kennelijk mee in verbinding stond." (p. 70) Arnold verwoordt zijn gevoel ook: "Dieren zijn straight, dieren hebben geen slogans, sterven niet voor iemand anders, maar ook niet voor meer dan hen toebehoort." Men leest in die opvatting de afkeer van religie, van ideologieën en oorlogen die de drie hoofdfiguren gemeen lijken te hebben. Dat impliceert hoegenaamd niet dat Philip evenveel op heeft met dieren of natuur.

Philip houdt niet van dieren. Hij zegt, enigszins in de lijn van zijn vader -behalve dan de uitbreiding naar dieren en honden toe- : "Ik haatte de wereld. Mensen, geuren, honden, voeten, telefoons, kranten, stemmen, alles vervulde mij met de grootste weerzin." (p.169) Dit hangt natuurlijk nauw samen met Philips opvattingen, hij wil 'niets' zijn, hij wil af van het ding dat hij is. Daarbij komt dat hij, in tegenstelling tot zijn vader die voortdurend door bos of bergen omringd leeft, nauwelijks van natuur houdt. Zoals reeds vermeld is zijn kamer bijna leeg, op enkele kleine voorwerpen en kleine postkaarten na. Daarover zegt Nooteboom: "De andere kaarten beeldden echte tuinen af, met echte, zij het tot onbestaanbare euclidische vormen geschoren struiken, griezelig van volmaaktheid, gazons die met een tong leken afgelikt en bloedrode gebeeldhouwde herfstbomen." (p.145). De enige natuur die Philip in zijn nabijheid duldt kan in feite, zoals hij voor zichzelf wil, tot niets herleid worden, tot een korte wiskundige formule.

Inni staat daar wat tussen. "Hij hield niet zo erg van honden, vooral niet als ze in zo'n verstikkende symbiose met hun baas leefden." (p.66) Diezelfde hond echter wordt gebruikt om de herinnering van Inni te symboliseren. Inni is er dus indirect mee verbonden: "Herinnering is als een hond die gaat liggen waar hij wil" (p.11) Ook bedenkt Inni, als hij naar huis gaat na een nacht bij een andere vrouw: "De natuur, waarin de dieren elkaar niet kennen en niemand van iemand houdt, werd wakker." (p.22) De natuur wordt naar voor geschoven als ethiekloze plek. We horen een reflectie van de 'pecking order', het recht van de sterkste, wat Arnold in de natuur bewondert. In het citaat kunnen we evenwel een afkeuring lezen van Inni.

Tot slot wil ik nog de aandacht vestigen op Nootebooms schrijfstijl. In harmonie met het centraal thema doet Nooteboom ook in zijn schrijven een poging om vat te krijgen op de wanorde, die bijvoorbeeld heerst merkbaar is in de vele verschillende facetten van de personage-driehoek. Dit doet hij in de reeds eerder besproken structuur (de drie grote delen), maar ook met vele tijdsprongen: zo kondigt hij de exacte dood van Arnold Taads aan, terwijl diens rol in het boek helemaal niet uitgespeeld is (cfr supra). Een ander typerend kenmerk is de referenties naar utopische 'almachtige registreermachines'. Ik bedoel hiermee al dan niet bestaande zaken die erin slagen een groot deel of zelfs alles wat er in de wereld gebeurt te vangen. Het duidelijkste voorbeeld is dat van "de grote platonische computer die alles registreert". (p.15) "De leggers van een krant" (p.18) kunnen een prangende vraag oplossen waarvan Inni nergens het antwoord vindt. Tot slot van dit noodgedwongen kort gehouden parapraafje mag zeker de specifieke toon niet vergeten worden waarin Nooteboom zijn roman schreef. Hij heeft een erg ironische-relativerende manier van schrijven die bij wijlen hilarisch aandoet, zoals in dit laatste fragment: "'Als Sartre zegt, de mens is op de wereld gegooid, hij is alleen, er is geen God, wij zijn verantwoordelijk voor wat we zijn, wat we doen, dan zeg ik JA.' Het affirmatief schalde door het bos. De hond spitste zijn oren. Deze man heeft niemand om mee te praten, dacht Inni." (p.63)


Bronnen

Cees Nooteboom, Rituelen, De Arbeiderspers, Amsterdam, 1980

Henk Harbers, Onromantische romantiek of waarom Petra Golden Fiction rookt - Over Cees Nootebooms roman "Rituelen",