Ma Xiu Jia

Beknopt vergelijkend essay over de volgende kunstwerken:

1. Nicolas Poussin, De roof van de Sabijnse maagden, ca. 1636-1637

2. Antoine Watteau, Embarquement pour Cythère, 1717

3. Sandro Botticelli, De geboorte van Venus, ca. 1480

4. Pierre Auguste Renoir, Le moulin de la Galette, 1876


De geboorte van Venus (Sandro Botticelli, ca. 1480), De roof van de Sabijnse maagden (Nicolas Poussin, ca. 1636-1637), Embarquement pour Cythère (Antoine Watteau, 1717) en Le moulin de la Galette (Pierre Auguste Renoir, 1876) zijn vier werken die een belangrijke plaats innemen in de kunstgeschiedenis. In een onderlinge confrontatie onthullen ze zowel inhoudelijke als formele evoluties.

Ten eerste is er in deze werken een evolutie merkbaar die men zou kunnen omschrijven als "popularisering van de kunst".

Het oudste werk, "De geboorte van Venus" van Sandro Botticelli, is pas ten volle genietbaar als men kennis neemt van de filosofische stroming waarop dit werk geënt werd. Het neo-platonisme, de stroming waarvan sprake, bestond erin het leven van het hele universum te beschouwen als een stroom met God verbonden, zodat alle openbaringen (mythologie of Bijbel) in wezen één waren. Dit neo-platonisme rechtvaardigde, na eeuwen Middeleeuws-Roomse huiver, het afbeelden van de 'heidense' godheden uit de oudheid. Ze werd dan ook dankbaar aangegrepen door de kunstenaars uit de 15e eeuw om een oude bron opnieuw aan te slaan. Het geboorte of '(Re)naissance'-motief in dit schilderij kan dan ook in deze context gezien worden. Het valt aan te nemen dat, in een tijd waarin een groot deel van de bevolking analfabeet bleef van de wieg tot het graf en van jongsaf werkte, dit werk slechts in uiterst elitaire kringen circuleerde en geapprecieerd werd (deze stelling wordt bevestigt door het feit dat de opdrachtgever een voornaam lid was van de familie de Medici in Firenze).

In het chronologisch volgende werk ('De roof van de Sabijnse maagden' van Poussin) is er net als bij Botticelli grote aandacht voor de oudheid, die zich vooreerst uit in het thema (het historische feit van de roof), maar ook in de kledij van de 'acteurs' en zelfs in het architectonisch decor rondom hen merkbaar blijft. Dit werk is elitair in het feit dat de kunstenaar zijn toeschouwers niet zintuiglijk wil aanspreken maar wel geestelijk. Hij schildert niet wat hij ziet of zou kunnen zien maar eerder wat men zou zien als de natuur ideaal was. De grootste zorg wordt besteed aan de compositie, terwijl het kleurenpalet wat schraal oogt. Dit behoort echter tot de formele kenmerken en daar kom ik zo dadelijk op terug.

Het derde werk ('Embarquement pour Cythère' van Watteau) is een stuk bescheidener van opzet. Het mythologisch element is aanwezig, maar in de verdunde vorm die de tijdgenoot uit het eigen leven kende. De kledij is reeds eigentijds (voor de rijkere toeschouwer althans) en de stralende Venus in het centrum die we bij Botticelli kregen wordt hier als het ware naar de marge verwezen in de vorm van een beschadigd beeld. De Cupido's zweven boven dit alles als symbool van liefde en geluk.

Met 'Le moulin de la Galette' van Renoir tenslotte is de kloof met het grote publiek volledig gedicht. Men krijgt wat men ziet: een "tranche de vie" van een vrolijke middag. De toeschouwer is een toevallige voorbijganger die slechts even het oog op het gebeuren laat vallen maar toch dadelijk doortrokken wordt van de menselijke warmte die in het tafereel heerst.

Bij de vergelijking van deze werken komt naast een inhoudelijke relatie echter ook duidelijk een formeel verband bovendrijven. Enerzijds kan men de werken van Botticelli en Poussin duidelijk lineair noemen, anderzijds vallen Watteau en Renoir met hun twee schilderijen onder de noemer picturaal, met als scharnier tussen deze twee duo"s de tegenstelling Poussinistes-Rubénistes in de Franse Académie van de 17e eeuw.

Botticelli vooreerst heeft vooral oog voor de contouren van zijn tengere figuren. De anatomie is vrij onuitgewerkt (spiermassa's zijn niet afgebakend). Wat primeert is de compositie die doet denken aan de traditionele verhouding tussen engelen (de windgoden links), de Verlosser (Venus) en Johannes de doper (de verwelkomende lentegodin rechts) bij Middeleeuwse taferelen van de doop van Christus. Deze relatie met het christelijk doopmotief versterkt nog de idee van wedergeboorte die ik eerder aanhaalde.

Compositie primeert ook bij Poussin. In zijn poging de geest van de toeschouwer aan te spreken, kiest hij voor de compositie ten nadele van een warm koloriet. Gevolg is dat de actie die hij schetst bevroren is en spontaneïteit mist. Het is niet verwonderlijk dat hij zijn personages modelleerde naar Hellenistische sculpturen.

Na Poussin komt er een breuk in de kunstgeschiedenis die bekend staat als de breuk tussen Poussinistes en Rubénistes in de Franse Académie in de 17e eeuw. Waar de Poussinistes opteren voor lineariteit en compositie, een stijl die eerder intellectueel gericht is, kiezen de Rubénistes resoluut voor kleur en koloriet. In deze context kan men aan de voorgaande vergelijking ook toevoegen dat deze Rubénistes de leek tot rechter van de kunst wilden maken, na eeuwen van elite-kunst.

Watteau behoort tot de Rubénistes. Zijn werk komt tot volle uitdrukking in het koloriet, waarin men bijvoorbeeld kan lezen dat het avond wordt. Dit werpt een melancholische stemming over het geheel. Inhoudelijk stemt hiermee overeen het feit dat men zich opmaakt voor het vertrek.

Bij Renoir tenslotte wordt deze richting nog veel radicaler ingeslagen. Zijn werk is een spel van schaduw- en lichtvlekken en een zacht koloriet, dat menselijke warmte en vermaak suggereert.

Er zijn naast deze twee grote aspecten ook andere, meer aperte verbanden te leggen. Zo is het thema van de liefde en het sexuele telkens aanwezig. Men kan de schilderijen ook indelen onder de noemers ruraal en stedelijk. 'De Geboorte van Venus' en 'L'embarquement pour Cythère' staan dan samen als ruraal tegenover 'De Roof van de Sabijnse Maagden' en 'Le Moulin de la Galette', die gekenmerkt worden door een stedelijk decor. Deze indeling zou dan nog geaccentueerd worden door het feit dat in beide 'rurale' schilderijen een Venusfiguur te vinden is, Venus, die als godin van de liefde ook vruchtbaarheid "promootte".

Of deze verbanden een groot belang hebben is maar de vraag. Ze zijn interessant in die zin dat ze een andere kijk bieden op de zaak, maar ze zijn in het licht van de kunstgeschiedenis ongetwijfeld ondergeschikt aan de grote vergelijkingen op basis van vorm en inhoud.