Ma Xiu Jia

Frederik van Eeden - De kleine Johannes

In "De kleine Johannes" schetst Frederik van Eeden een symbolische zoektocht naar "de waarheid" en de psychologische evolutie van kind naar volwassene.

Het verhaal begint met de schets van een prototypisch kind, dat -een beetje afzijdig van andere kinderen en volwassenen- vol nieuwsgierigheid en bewondering voor de wereld staat. Het kind, Johannes, is tevreden met zijn wereld. Die vrede wordt echter verstoord. Johannes is gefascineerd door een "ontzaglijke poort", door de wolken gevormd, "waarachter de zon ten ruste zou gaan". Hij stapt in een bootje, glijdt door het riet naar die "wolkgrot", en vanaf dan keert zijn wereld ondersteboven.

Van Eeden gebruikt voor zijn verhaal een oeroud verhaaltechnisch gegeven: een subject verstoort de vrede door het overtreden van een verbod. Men heeft Johannes streng verboden in de oude kleine boot te gaan. Johannes heeft het echter moeilijk "O, wat was deze avond de verzoeking sterk", en stapt uiteindelijk in het bootje. Van Eeden gebruikt deze techniek meerdere malen in het boek, zo zal Johannes later zijn vriendinnetje Robinetta verliezen omdat hij haar vertelt over de geheimen van Wistik en Windekind, terwijl een muis dat hem had verboden. Van Eeden plaatst zich met het gebruik van deze techniek in een traditie waartoe ook het boek Genesis en de mythe van Pandora"s doos behoren.

Johannes raakt bevriend met de elf Windekind, die hem zal voorstellen aan de kabouter Wistik. Deze kabouter beweert dat er een boekje bestaat waarin het rechte staat: "Het ware boekje moet groot geluk en grote vrede brengen, - daarin moet nauwkeurig staan, waarom alles is zoals het is, zodat niemand iets meer kan vragen of verlangen." Hij geeft Johannes een gouden sleuteltje waarmee hij het gouden kistje kan openen waar het boekje in zou moeten liggen. Natuurlijk weet Wistik niet waar het kistje is en op die manier start voor Johannes een symbolische "queeste".

Het "rechte" boekje symboliseert een absolute waarheid, die tot harmonie zou leiden in de hele wereld. Van Eeden bedoelt daarmee niet enkel vrede tussen mensen onderling maar ook tussen mensheid en natuur. Johannes is een zoekende mens. Zijn zoektocht naar de waarheid kan symbool staan voor die van vele mensen, ook volwassenen. Dat van Eeden toch kiest voor een kind is niet zo moeilijk te verklaren. Ten eerste schetst hij in zijn boek ook een zekere bewustwording bij de overgang van de kindertijd naar de volwassenheid. Een kind als hoofdpersonage biedt daarnaast het voordeel dat de lezer zich niet zal storen aan de soms naïeve openheid en onbevangenheid tegenover veel "onmogelijkheden". Enkel een kind kan die voor waar aannemen en via dat kind zal misschien ook de lezer aan het denken worden gezet. Tenslotte is er het feit dat van Eeden zijn verhaal schreef in sprookjesvorm. In dit genre wordt de hoofdrol bij conventie door een kind ingevuld.

De zoektocht van Johannes naar de waarheid leidt hem in de armen van verschillende figuren. Ten eerste is er Windekind, een elf die Johannes op sleeptouw neemt in de wereld van de kleine dieren en planten. Via de techniek van sermocinatio laat van Eeden zowel dieren als planten aan het woord. In hun woorden weerspiegelt van Eeden op ironische wijze menselijke waarden en geloofspunten. Hij vindt hiermee aansluiting bij een lange traditie van fabulering en allegorisering die sinds de middeleeuwen in de literatuur te vinden is (o.a. "Van den vos Reynaerde"). Een uitstekend voorbeeld vinden we wanneer van Eeden een voorman van de zogenaamde "Vredemieren" omstandig laat uitleggen waarom hun kolonie in de naam van de vrede zo"n zestien kolonies Strijdmieren wil uitmoorden, hoewel die hun niets in de weg hebben gelegd. Een andere methode die van Eeden vaak toepast bestaat erin verschillende dieren- en plantensoorten vol eigendunk duidelijk te laten maken waarom zijzelf of hun soort het belangrijkste zijn. Waar een zwam het nog houdt op pochen tegen soortgenoten: " "Zie mij eens!" zeide een dikke duivels-zwam. "Hebt ge ooit zo iets gezien? Zie hoe dik en wit mijn steel is en hoe mijn hoed glimt. Ik ben de grootste van allen. En dat in één nacht!" ", daar voert een glimworm ongegeneerd de volgende discussie: " "Ik geloof dat niemand zou durven tegenspreken, dat wij glimwormen het hoogst begaafd zijn van al wat leeft." "Waarom? dat weet ik niet," zeide het konijntje. Met minachting vroeg de glimworm toen: "Kunt gij licht geven?" "

Van Eeden laat in zijn diergesprekken ook een klacht horen aan het adres van de mensen, die al te achteloos omspringen met de wereld rondom hen. Een hilarisch voorbeeld hiervan is de uitgebreide scène waarin de picknick van een drukdoenerig groepje mensen vanuit het perspectief van de dieren en planten wordt bekritiseerd. De dieren zullen de groep uiteindelijk op de vlucht jagen.

Een tweede figuur is het "mensenkind" Robinetta, een meisje waar Johannes op kinderlijke wijze aan verslingerd raakt. Hij meent dat zij een verschijningsvorm is van Windekind. Hij denkt daarom dat zij hem misschien kan helpen met zijn zoektocht naar het "boekje waarin het rechte staat". Als hij haar na veel wandelingen en verhalen (bij zijn vertellen maakt hij dankbaar gebruik van de verhalen die de dieren hem vertelden toen hij nog bij Windekind was) eindelijk vertelt over het boekje, zegt zij hem te kunnen helpen. Ze neemt hem mee naar haar huis. Daar volgt er een uitstekende scène waarin van Eeden schijnbaar onschuldig de Kerk voor schut zet. Hij noemt niets of niemand bij naam, maar het is vrij duidelijk wie en wat hij bedoelt. Zo wordt met het handvol rake woorden "een zwart geklede man [...] met koude, grijze ogen" een dominee geschetst. Zonder de Bijbel ook maar eenmaal bij naam te vermelden, laat van Eeden Johannes er het volgende over zeggen: "Ik ken dit boekje, het is het mensenboek. Maar het geeft niet genoeg, - anders zou er rust zijn onder de mensen en vrede. En die zijn er niet." Johannes wordt na die woorden hardhandig uit het huis gezet en krijgt Robinetta nooit meer te zien.

Johannes vlucht wanhopig weg in de duinen. Daar wordt hij benaderd door een vleermuis die dan een zwart mannetje, Pluizer, blijkt te zijn. Alweer lijkt van Eeden in te pikken op een literaire traditie die onder andere erg duidelijk aan bod komt in "Mariken van Nieumeghen". De protagonist met goede bedoelingen wordt door iemand schandelijk bejegent en weggejaagd. In de wanhoop die erna volgt komt er een slecht figuur (in "Mariken" de duivel Moenen, in "Johannes" het duiveltje Pluizer) die de hoofdfiguur met een hoop mooie voorwendsels meelokt en op het slechte pad tracht te zetten.

Net als Moenen in "Mariken" slaagt Pluizer erin Johannes mee te krijgen met de belofte dat hij de jongen grote wijsheid zal schenken. Het mannetje geeft een andere visie op de waarheid. Hij bezweert Johannes: "Een mens moet denken en werken en zoeken." Even later gaat zijn discours een heel eigen richting op. Hij wijst op wat mensen buiten. "Je kunt zien dat ze haast hebben en iets zoeken, niet waar? Maar het is grappig, dat geen een precies weet wat hij zoekt. Als ze nu een poosje gezocht hebben, dan komen ze iemand tegen, - die heet Hein..." Het leven van de mens verwordt tot een machteloze poging om voor de tijd op is een onvindbare waarheid te vinden, een waarheid die ook recht moet geven op eeuwigheid. Pluizer stelt Johannes voor aan "Hein", de Dood die verbazend goedaardig blijk: "Ik heb geen innemend uiterlijk, - maar ik meen het toch goed. [...] Mijn vriend Pluizer kan u leren, hoe men een goed mens wordt." De Dood wil dat Johannes een goed mens wordt. Hij is geen genadeloze maaier die zoveel mogelijk bevuilde zieltjes naar de hel wil sturen. Hij is daarentegen een vriendelijk man die ieder de kans wil geven zich te redden. Hij legt echter de nadruk op het zoekende in de mens. Een mens moet voortdurend zoeken, onderzoeken en bevragen.

Pluizer neemt Johannes dan ook mee naar docter Cijfer. Diens naam zegt veel over de man zelf: hij onderzoekt alles en tracht alles in getallen en formules om te zetten. Voor menselijk gevoel is er geen tijd. Medelijden met de proefdieren die zwaar onder zijn proeven te lijden hebben heeft hij niet, wel wil hij ooit een formule van dat gevoel op papier krijgen.

Pluizer lijkt bovenal een ondraaglijke vorm van relativiteit te willen meegeven. Hij toont van al wat goed is de slechte, soms gruwelijke keerzijde. Hij neemt Johannes mee in de vuilste delen van de stad waar mensen van hun menselijkheid ontdaan zijn en in smerige hokjes leven. Van Eeden bereikt een ware apotheose van gruwelijkheid wanneer hij Pluizer en Johannes laat verkleinen en in de grond laat kruipen tot in een doodkist. Nietsvermoedend volgt de lezer hen op hun tocht tot hij plots beseft dat de twee op het voorhoofd van een overledene staan. "De lange worm kwam aankruipen tussen de plooien van het lijkkleed; hij schoof zich behoedzaam tegen de kin op en glipte over de strakke lippen in de zwarte mondholte." Van Eeden speelt op een bijzonder zerpe manier met het vanitas-motief: de bedoeling achter de weerzinwekkende uitstap is duidelijk maken dat van een meisje dat zo mooi lijkt als een elf, vijftig jaar later niets dan een afstotelijk lijk overblijft. Van Eeden doet er nog een schepje bovenop: in de laatste van de reeks doodkisten die ze bezoeken ligt Johannes zelf, vijftig jaar ouder dan hij nu is.

Uiteindelijk treedt Johannes tegen Pluizer op wanneer die zijn pas gestorven vader wil opensnijden om de doodsoorzaak te achterhalen. Johannes treedt op tegen de boodschap dat gevoel bij de zoektocht naar kennis ontoelaatbaar is: zelfs het lichaam van de eigen vader is volgens Pluizer interessant anatomisch studiemateriaal. Pluizer verdwijnt, en Johannes geeft toe aan een lokroep die hem naar buiten trekt. Hij meent Windekind te horen, en even later ziet hij haar ook. Hij rent een duin op en wordt geconfronteerd met een zonsondergang op zee (van Eeden gebruikt dit beeld ongetwijfeld om de donkere Pluizer-periode af te sluiten). Op de zee wandelt een gestalte, die Johannes voor een keuze stelt. Hij mag zich laten meevoeren door de Dood. Die zal hem in een bootje overzetten (van Eeden parafraseert hier het mythische Styx-motief) naar de "wolkengrot", waar Johannes alles zal weten wat hij wenst. Johannes kan ook de wandelende gestalte volgen naar het oosten "waar de mensheid is en haar weedom." Hij kiest voor het laatste, hoewel hij weet dat hij Windekind dan voorgoed kwijt is.

In de "gestalte" lijkt van Eeden overigens zijn visie op geloof uit te drukken. Hij neemt opzettelijk een menselijke figuur die over water loopt om Jezus te symboliseren. Deze Jezus laat hij dan steels kritiek geven op de kerk, een instelling die beweert de geest van Christus uit te dragen. Als Johannes aan de figuur vraagt of die Jezus of God is, krijgt hij als antwoord: "Noem die namen niet,..., zij waren heilig en rein als priestergewaden en kostelijk als voedend koren, doch zij zijn tot draf geworden voor de zwijnen en tot narrekleden voor de dwazen." Van Eeden zegt over religie: "Ik ben een arme atheïst, dat wil zeggen, ik heb te veel gezond verstand en te weinig krachtige fantasie om aan dingen te gelooven, waarvan ik overtuigd ben, dat ze niet bestaan kunnen." Ook geeft hij een sneer naar het Rooms-Katholicisme, als hij spreekt over de "Roomsche" die "zijn geluk vindt in het zelf scheppen van goden en engelen en Heiligen."

Een verdeling in vier afzonderlijke "stadia" op basis van een verschillende "gids", zoals hierboven geschetst, is niet imaginair. Jan Fontijn, die in een nawoord de ontstaansgeschiedenis van "De kleine Johannes" schetst, is van mening dat van Eeden in zijn sprookje de jeugd in vier fasen verdeelt. De eerste fase is die van de ongerepte, kinderlijke staat. Johannes wordt in die fase begeleid door Windekind, die ook een veelzeggende naam heeft. In een tweede fase, de puberteit, ontwaakt de zinnelijkheid. Johannes maakt kennis van Robinetta en wordt verliefd op haar. De derde fase, de overgang van puberteit naar adolescentie, wordt getekend door een drang naar het rationele. Pluizer en docter Cijfer zijn de figuren die Johannes door deze periode gidsen. In het laatste stadium wordt de drang naar het rationele overwonnen en wordt gekozen voor de mensheid in haar totaliteit. Johannes kiest hier voor het pad dat de "Onnoembare" hem wijst.

Voor een interpretatie bij de figuren Wistik en de Dood verwijst Fontijn naar Asselbergs. Ze zijn volgens die laatste vertegenwoordigers van altijd aanwezige levensvragen. Wistik belichaamt het verlangen naar weten en kennis. Het is Wistik die een einde maakt aan de Windekind-periode en Johannes vatbaar maakt voor Pluizer. Het is de drang naar het weten, en ook de kennis zelf, die een einde maakt aan de kindertijd. De Dood is "de uiteindelijke overwinnaar van alle waan". Hij is het die Johannes aanspoort een goed mens te worden.

Die nadrukkelijke aanwezigheid van de dood en het bijbehorende vanitas-motief brengt me bij een ander aspect van "De kleine Johannes", met name de intertekstuele relaties (o.m. besproken door Keersmaekers).

Ten eerste is van Eeden beïnvloedt door Shakespeare. Op 12 november 1875 (van Eeden is dan 15 jaar) vermeldt zijn dagboek Hamlet, in de daaropvolgende dagen worden nog twee stukken vermeld. Zijn enige commentaar is "Heb gruwelijke en vuile dingen gelezen van Shakespeare, dat heet mooi, dat lezen de menschen graag. Ik gun ze de pret." Zou het kunnen dat hij ondermeer aan het vijfde bedrijf van Hamlet (scène 1) dacht, waarin twee grafdelvers in verzen het leven relativeren terwijl ze schedels in hun hand opgooien? Hamlet zelf bedenkt bijvoorbeeld "Imperious Cæsar, dead and turn"d to clay, / Might stop a hole to keep the wind away" ("de heerszuchtige Caesar, dood en tot klei vergaan, / Zou een gaatje kunnen stoppen om de wind buiten te houden"). De scène en de achterliggende gedachte (schoonheid, aanzien, roem, ... betekent niets, we keren allemaal tot stof terug - vanitas vanitatum) lijkt verbazend goed aan te sluiten bij de scène in "De kleine Johannes" waarin Johannes met Pluizer op "excursie" uittrekt in de doodkisten. Men kan overigens als lezer van van Eeden bij die bepaalde scène hetzelfde bedenken als van Eeden bij Shakespeare dacht: "Heb gruwelijke en vuile dingen gelezen." (waarmee ik evenwel geen waardeoordeel aan het boek wil verbinden).

Een tweede werk van Shakespeare dat op van Eeden invloed heeft uitgeoefend is "A Midsummernight"s Dream". Hoewel de inhoud, sfeer en toon hemelsbreed verschillen van "De kleine Johannes", is er toch de gemeenschappelijke feeënvorst Oberon, die overigens in beide werken terugkomt van een reis uit het Oosten.

Hans Christian Andersen is een tweede, belangrijker invloed in "De kleine Johannes". Keersmaekers duidt die invloed omstandig aan. Hij steekt van wal door te wijzen op een vermelding van de naam Andersen in de tekst zelf. In het huis van Robinetta beroept Johannes zich op feeën en kabouters. Eén van de omstaanders zegt: "Hij schijnt Andersen gelezen te hebben", en de zwart-geklede man corrigeert: "Als je Andersen kent, mannetje, dan moest je meer van zijn eerbied hebben voor God en zijn Woord." Van Eeden lijkt doelbewust deze vermelding in zijn werk ingebouwd te hebben als bedankje en eerbetoon aan Andersen. Keersmaekers kijkt over dat aspect, maar het is toch op zijn minst opmerkelijk dat van Eeden in zijn roman geen enkele andere naam expliciteert. Zo wordt de stad waar Johannes en Pluizer in dwalen niet bij naam vernoemd, geen enkel personage heeft een familienaam (de meeste personages hebben trouwens ook een voornaam die in de werkelijkheid niet voorkomt: Pluizer, Wistik en Kribbelgauw) en de bijbel wordt herhaaldelijk gesuggereerd maar nooit bij naam genoemd.

De aanwijsbare invloeden die van Eeden verwerkt heeft, worden door Keersmaekers als volgt samengevat: "Windekinds geboorte in de kelk van een winde, de toverkracht die Johannes zeer klein maakt, de Dood die niet verschrikkelijk is, die de mens aanmaant goed te zijn, die slechts éénmaal vraagt als zijn Meester de tijd gekomen acht, de wondere verdraaide wereld in een onderaards hol waar dieren musiceren en dansen, de evocatie van een feeërieke wereld, zelfs het beeld van een Johannes schreiend bij het bed van zijn gestorven vader, dat alles kan Van Eeden zijn bijgebleven na de lectuur van Andersens sprookjes." Er is echter een belangrijk verschil: de sprookjesvorm is bij van Eeden niet het instrumentarium om een schare kinderen te verblijden en een enkele eenvoudige wijsheid aan te brengen, maar is daarentegen veeleer een vehikel om een complexe eigen geschiedenis te vertellen.

Een derde invloed die van Eeden zelf aanwijst, maar die door Keersmaekers niet uitgewerkt wordt, is Multatuli. Invloedrijk op de figuur van Johannes is waarschijnlijk Woutertje Pieterse geweest, de "romantische dweper", snel en ontvlambaar, die droomt van heldendaden. Ook Johannes draagt in zich de "romantische" natuurliefhebberij, en net als Woutertje van heldendaden droomt om boven zijn kleine ego uit te stijgen, streeft Johannes naar wijsheden en kennis.

Tenslotte wil ik nog wijzen op de plaats van dit werk binnen van Eedens oeuvre en binnen de eigentijdse literatuurstromingen. Van Eeden schreef "De kleine Johannes" tegen het einde van zijn studietijd, vanuit de wens zijn ontwikkeling in literaire vorm vast te leggen. Het werk past in de behoefte die van Eeden levenslang heeft gevolgd en die erin bestond "tussentijds de balans op te maken". De eerder geciteerde dagboeken zijn ook een product van deze drang. Het is niet vreemd te beseffen dat van Eeden psychiater was. Van Eeden begon zijn literaire loopbaan in het milieu van "De Nieuwe Gids", de spreekbuis van de Tachtigers, die belang hechtten aan klankexpressie en zuivere beeldspraak. Kunst als "aller-individueelste expressie van de aller-individueelste emotie." In "De kleine Johannes" vindt van Eeden hier tegelijk aansluiting bij, en zet hij zich ervan af. Hij heeft enerzijds, voornamelijk in zijn gedetailleerde natuurbeschrijvingen een erg oorspronkelijk taalgebruik ("Het was warm aan de vijver en doodstil. De zon, rood en afgemat van haar dagelijks werk, scheen een ogenblik op een verre duinrand uit te rusten, vóór ze onderdook. Bijna volkomen spiegelde het gladde water haar gloeiend aangezicht weer. De over de vijver hangende bladen van de beuk maakten van de stilte gebruik om zich eens aandachtig in de spiegel te bekijken. De eenzame reiger, die tussen de brede bladen van de waterlelie op één poot stond, vergat dat hij uitgegaan was om kikkers te vangen en tuurde in gedachten verzonken langs zijn neus.") Daarbovenop komt, zoals eerder gezegd, dat van Eeden in dit werk zijn visie schetst op zijn eigen persoonlijke ontwikkeling tijdens zijn jeugd.

Wat echter botst met de Tachtigers, is het maatschappelijk geëngageerde facet van zijn werk. Zoals ook reeds eerder aangehaald, parodieert hij mensen in zijn vermenselijkte dieren. Tenslotte is er ook een besmuikte sociale aanklacht in zijn beschrijving van de armoedige sloppenwijken van de stad waar Johannes met Pluizer rondtrekt.


Bronnen

Frederik van Eeden, De kleine Johannes, Querido, Amsterdam, 1999

Jan Fontijn, Nawoord, in: Frederik van Eeden, De kleine Johannes, Querido, Amsterdam, 1999

A. Keersmaekers, Frederik van Eeden's Kleine Johannes I, Shakespeare en Andersen, in:

A.M. Musschoot, Moderne Periode, in: Overzicht van de Nederlandse Letterkunde - deel 2, 1997, Academia Press, Gent

H. Van Gorp e.a., Lexicon van literaire termen, 1993, Wolters, Leuven