Ma Xiu Jia

Guido Gezelle, Kleengedichtjes

De titel "Kleengedichtjes", die nu algemeen verbreid is, is niet de eerste die Gezelle aan zijn verzameling van 33 (vanaf 1881 werden dat er 99) korte gedichten heeft gegeven. De eerste naam die Gezelle eraan gaf is "Album-blâren. Behelsende gedichten bloemen stemmingen der natuur en des herten lichtprinten schetsen Dichtwisseling, enz.". Deze werktitel vermeldt hij in een brief aan Eugène Van Oye in maart 1859. In tweede instantie spreekt Gezelle ook van "nageldichtjes" en "nageldeuntjes". Hij refereert hiermee aan de Engelse schilder W. Hogarth, "die soms vluchtig met zijn potlood iets schetste op zijn nagels om het later thuis te kunnen uitwerken." Gezelle voelt blijkbaar verwantschap met het onverhoeds getroffen worden tijdens een natuurwandeling (iets wat inderdaad vaak in zijn gedichtjes centraal staat). De term Kleengedichtjes tenslotte verbindt deze liefde voor het plotse en momentane met een religieus aspect. "Kleengedichtjes" houdt een verwijzing in naar "Kleengebedjes", korte gebeden die men voor de "lering" opzei, maar die tot Gezelles spijt in 1860 in onbruik waren geraakt. Gezelle wil met zijn gedichtjes "een goed gedacht in uw geheugen - of een goed gebed uit uw herte strelen". Hij wil met andere woorden ook bij de mensen een kleine vonk doen overslaan, zijn eigen korte impressie onverzwakt aan de mensen meedelen.

Gezelle benadrukt met zijn titel natuurlijk ook een tweede aspect: kleinheid, zowel van het gedicht zelf als, zoals al bleek uit de titel "nageldichtjes", van de ervaring die hij erin weergeeft. Dat de bekommernis om zijn poëzie kort te houden wel degelijk aanwezig is, blijkt onder andere uit een brief die hij op 22 juni 1862 aan Van Oye schreef: "Ik heb wel leeren snoeijen sedert mijn eerste boek, gij zult het bemerkt hebben, sommige stuks zijn tot op 4 verzen gekrompen." Gezelle vermeldt in diezelfde brief ook dat enkele Arabische gedichten model stonden voor zijn gedichtjes. Het tweede aspect van de "kleinheid" heeft, zoals gezegd, betrekking op de weergegeven beleving. Albert Westerlinck heeft het over "het flitsend-intuïtieve in de schoonheidsbeleving, in de natuurvisie, in het gebed." Deze hangt samen met Gezelles religieuze instelling. Kleinheid en nederigheid zijn voor hem de enige mogelijke en eerbare houdingen die men kan aannemen als men eenmaal geconfronteerd is met Gods grootsheid.

De ontstaansgeschiedenis van de verschillende reeksen "Kleengedichtjes" (samen verschenen in 1881) is vrij complex. Een eerste reeks van "XXXIII Kleengedichtjes" verscheen in 1860. Twee jaar daarna verscheen in plaats van de aangekondigde "Andere XXXIII" een reeks "Bloembladeren". Keersmaekers hypothetiseert dat er in die verzameling té veel twee- of drieregelige gedichtjes in voorkwamen, zodat zelfs Gezelle niet meer van "Gedichtjes" wilde spreken. Het feit dat de korte gedichtjes in latere publicaties geweerd zijn kan daarvoor een aanwijzing zijn. In 1881 tenslotte verscheen een gezamenlijke uitgave van "Driemaal xxxiij Kleengedichtjes". De drie reeksen Kleengedichtjes bestaan vooreerst uit een voor een derde aangepaste versie van de uitgave 1860. De tweede reeks is gedeeltelijk gebaseerd op de "Bloembladeren" en de derde reeks (getiteld "Laatste XXXIII") is een voorheen ongepubliceerde cyclus, ontstaan in de jaren 1878-1881. In hetgeen volgt beperk ik mij tot de eerste bundel: "XXXIII Kleengedichtjes", zoals die werd uitgegeven in 1860.

De bundel "XXXIII Kleengedichtjes" verschijnt tussen zijn "ontslag" in Roeselare (september 1859) en zijn aanstelling in Brugge (26 augustus 1860). Het bevat stukjes die Gezelle, zo stelt Keersmaekers, sinds mei 1859 heeft verzameld. In de bundel dagzomen dan ook verschillende stemmingen waar te nemen. Guido Gezelle voelt zich gesterkt door de goede ervaringen met zijn poësisklassen in het Klein Seminarie van Roeselare en het aanzien dat hij onder andere met "Kerkhofblommen" (1858) heeft verworven. In bepaalde gedichten klinkt dan ook een vreugdevolle en strijdvaardige uiting van zijn dichterschap door. Gezelle is echter nooit, zoals bijvoorbeeld wel in "Gedichten, Gezangen en Gebeden" euforisch-extatisch van toon. Ook op het gebied van toon en sfeer lijkt Gezelle dus trouw aan een devies als "kleinheid voor alles" dat hij bij deze bundel vooropgestelt zou kunnen hebben. In klgd. 9 snoert hij mogelijke critici de mond door zich aan God te verbinden: " "K zinge Gods werk, en Zijn name / Klinkt onsterflijk in mijn lied / Als de grondtoon, noch "k en schame, / Dichter, voor mijn God mij niet! " Gezelles dichterschap is in het geheel van deze bundel erg christelijk getint. In enkele klgdn. waarin hij het dichten thematiseert smeekt hij de gunst af van Jezus of God (klgd. 5: "Jesu, maak ofschoon onweerdig, / T" Uwen lof mijn tonge veerdig") of neemt hij afstand van dichters die God niet centraal stellen (klgd. 4: "Weze hij nog zo schoon, geen een boek / Zonder God "n smaakt mij niet.").

Vele gedichten getuigen van een zelfde christelijke bewogenheid, maar missen het schrijverschap-motief. Erg frequent zijn bijvoorbeeld de gedichten waar Gezelle gewag maakt van een bepaalde eenheid die men misschien met "unio mystica" zou kunnen omschrijven. Gezelle voelt zich nauw betrokken bij de natuur en via die natuur is hij zich ook van God bewust. Een bekend voorbeeld hiervan is natuurlijk klgd. 7 "Als de ziele luistert". Hij beschrijft erin hoe men "als de ziel luistert" bemerkt dat de hele natuur spreekt ("Blâren van de bomen / Kouten met elkaar gezwind, / Baren in de stromen / Klappen luide en welgezind.") en het woord Gods lijkt te vertolken ("Talen ende tolken / "T diep verdoken Woord zo zoet"). In klgd. 21 schrijft Gezelle: "Mij spreekt de blomme een tale".

In bepaalde gedichten "ontkoppelt" Gezelle zijn thematiek. Zo staan enerzijds niet alle pastorale gedichten expliciet in het teken van God. In klgd. 10 "De maaier" verheerlijkt hij het harde werk van een maaier: na een dag (waarin de maaier op klankvriendelijke wijze "kapt, kerft, zwikt, zwaait" en "pakt, pikt, dringt, en draait") heft hij "s avonds "het hoofd omhoge, / En "t slagveld, maar dat zonder bloed, / Verheugt zijn dankende oge."). Anderzijds opent en sluit Gezelle zijn cyclus met zuiverder religieuze klgdn. Hij vangt aan met een drieluik, bestaande uit een kruisgebed, een klgd. voor God en een lofuiting voor Onze Lieve Vrouw. Gezelle lijkt als priester aan enkele plichtplegingen tegenover God, Christus (het Kruis) en Maria (Onze Lieve Vrouw) te moeten voldoen. Hij wil de indruk wekken dat bij het schrijven van zijn poëzie zijn eerste gedachte niet naar zichzelf of zijn eigen beslommeringen, maar naar God uitgaan. Deze drie kleengedichtjes zijn overigens niet van cliché"s gespeend (al lijkt dat misschien enkel zo voor de honderd jaar jongere lezer): "Hoger dan mijn" ogen dragen, / Wijder dan de winden jagen, / Dieper dan de diepe zee, / Over al heerst God alleen". Gezelle beëindigt zijn cyclus met een gedicht tot God, waarin hij expliciet zegt "Verloren, verloren, / Gerijmd en gedicht, / Waar God niet het voren- / ste en "t laatste van is!"

Een beetje afzijdig in de bundel staan twee gedichten die de dood van een kind thematiseren. In die gedichten (klgdn. 17 en 25) tracht Gezelle de moeder te troosten. Kleengedicht 17 drukt de moeder hiertoe op het hart dat eenieder na de dood heerlijkheden te wachten staat: "Alle liefde en alle zoetheid, / Leven zonder levensmoeheid, / Leven zonder stervensdag, / Erft - die zalig sterven mag." Bij uitbreiding knipoogt Gezelle in dit gedicht waarschijnlijk ook voor de volwassen lezers die "enkele zonden" begaan hebben. In klgd. 25 beschrijft Gezelle hoe er bijna niemand iets weet als een kind is gestorven, behalve het moederhart en Jezus, die het kind voor eeuwig gekregen heeft en het nooit zal opgeven. Hij beschrijft hier dus tegelijk het thema van de relativiteit van het leven (als men sterft is er nauwelijks een ziel van op de hoogte) en de troost voor alle leed (aan de andere kant wacht Jezus op ons allen).

Opmerkelijk in de bundel tenslotte is de vertwijfeling, de wanhoop en de genezing daarvan in de kleengedichtjes 16 en 22. De biografische elementen die tot deze diepte hebben geleid lijken voor de hand te liggen. Als Gezelle in september 1859 van zijn geliefde poësisklas ontheven wordt zal hem dat diep hebben verdroten. Zijn aanstelling in het Engels College te Brugge, bijna één jaar later, zal hem dan weer, naast het helende voortschrijden van de tijd, verheugd hebben. De vertwijfeling kondigt zich aan in klgd. 16: "Ach! "n laat geen Ziel bezwijken / Die med U ter bruiloft gaat" Deze suggestie van twijfel bereikt een waar dieptepunt in klgd. 19: "Kom hier, mijn Rozenkrans, / Het is mij al ontvlogen". Er is geen spoor meer van een "unio mystica" met God en de natuur: "Geen blaren aan den boom, / Geen water in de beken, / Niet, Niet als bittere smert / Die langst mijn kaken glijdt." In klgd. 20 klinkt het echter al: "Jesu, liefste Jesu mijn, / [...] / Zo dwaas, / Dat ik Uw liefde niet / "N zag". De terugkeer van zijn optimisme weerklinkt in klgd. 21: "Mij groet het al te male / Dat God geschapen heeft!" (dit klinkt vaag in "Marc groet "s morgens de Dingen" door). In klgd. 28 vergelijkt Gezelle zijn "kinderen" met een echo in de bergen en met harp of snaargeluid. Hij zegt vrij onomwonden: "en de Echo, die mij stemme blij / herandert, zijt, mijn kinderen, gij, / mijn kinderen!" Gezelle spreekt hier zijn vreugde uit die zijn klas hem schenkt. Het feit dat hij het beeld van een echo gebruikt zal verbonden zijn aan het feit dat veel van zijn leerlingen (o.a. leden van de latere "West-Vlaamse school") ook zelf zijn beginnen schrijven onder zijn toezicht.

Naast het thematisch aspect staat Gezelle natuurlijk vooral bekend om zijn poëtische kunnen, en dan bovenal het klankspel in vele van zijn gedichten. Een erg goed voorbeeld van Gezelles klankspel krijgen we in klgd. 8, waarin de dichter God om zijn eigen functie in de wereld vraagt na het bekijken van de bijen, de spinnen en de zon. Het tweede en derde vers luiden: "De kobbe spint de webbe / De blomme bloeit heur geuren uit". Klankeffecten zijn rijkelijk aanwezig: het homoioteleuton kobbe en webbe; syntactisch parallellisme rond de zinsrelator (artikel-substantief / ww. \ artikel-substantief, met herhaling "de"); de alliteratie "blomme bloeit" en assonantie heur geuren. Dit laatste kan gezien Gezelles afkomst misschien zelfs allitererend geklonken hebben (de g en h verschillen in het West-Vlaams dialect soms helemaal niet). In klgd. 14 krijgen we typisch Gezelliaanse verzen: "wijder als dat wijde wak / uitgestrekte watervlak" waarin hij vooral speelt met de alliteratie van de w, met bijkomend rijm van de tweeklank "ij" en de klinker "a". In klgd. 10, "De maaier" speelt Gezelle op een heel eigen wijze met klank in de woordreeksen "Hij kapt, hij kerft, hij zwikt, hij zwaait" en "Hij pakt, hij pikt, hij dringt, hij draait". Ten eerste is er de gestadige herhaling van het persoonlijk voornaamwoord hij, dat als het ware een trance-verwekkende metronoom is binnen de ruimere structuur. Die ruimere structuur bestaat uit een consequente syntactische parallellie: "subject + zinsrelator". Gezelles klankspel zit in de keuze van de werkwoorden. Hij lijkt elk vers in twee hemistiches op te splitsen op basis van alliteratie: er is alliteratie tussen de eerste twee relatoren en tussen de laatste twee (k-k / zw-zw // p-p / dr-dr). Bovendien verbindt Gezelle de twee hemistiches telkens door in het derde werkwoord een klank te gebruiken die rijmt met een klank uit de eerste halve versregel. Zo zit in "zwikt" de "k" die in de eerste hemistiche alliteratie had veroorzaakt. In "dringt" zit de klinker [I] die assoneert met "pikt". Tenslotte is er nog eindrijm: "zwaait"-"draait".

De herhaling is binnen de "Kleengedichtjes" een prominente structurele techniek. Gezelle deinst er niet voor terug korte zinnen tot acht maal te herhalen ("O Mocht ik" klgd. 31). Hetzelfde doet hij in klgd. 24. ("Ik jeune mi daarin"). Viermaal herhaalt hij dit korte zinnetje. Toch bouwt hij een minieme variatie in: "daarin" wordt beurtelings afgewisseld met "daaran".

"Ik jeune mi daarin" is ook geschikt om een laatste typisch Gezelliaans aspect te introduceren: het West-Vlaams taaleigen. Woorden als "jeunen" (zich verheugen), "blomme" (voor bloem), "e" (als verkort onbepaald lidwoord "een"), "leute" (plezier), "kouten" (praten), "de stege bane" (de moeilijke weg), "de zunne" (de zon) en de verschuiving van bijtje naar "bietje" zijn allemaal eigen aan het West-Vlaams.


Bronnen

Guido Gezelle, Kleengedichtjes (uitgegeven en ingeleid door Prof. Dr. Aug. Keersmaekers), Heideland-Orbis, Hasselt, 1970

Albert Westerlinck, Gezelles <<Kleengedichtjes>>, in: Gezelliana