Ma Xiu Jia

Thematiek en motieven in
"Advocaat van de Hanen" van A.F.Th. van der Heijden

1. Thematiek

1.1. Hoofdthema: Leven op het scherp van de snede

"Advocaat van de hanen", het vierde deel binnen de cyclus "De tandeloze tijd", biedt qua thematiek een verdere exploratie van het "leven in de breedte"-principe uit de voorafgaande delen. Van der Heijden doet dit aan de hand van een onderzoek van een bijna diametraal tegenovergestelde levenshouding, met name "leven op het scherp van de snede". Hij verwerpt hiertoe aanvankelijk zijn oude principe van "leven in de breedte":

Albert Egberts had hem wel eens zijn discipline van een 'leven in de breedte' uitgelegd, het eeuwig maken van een ondeelbaar moment, het stilzetten van de tijd... Maar dat ging Quispel allemaal te ver. Het was een onbereikbaar ideaal. Alleen theoretisch realiseerbaar. Hij vond het een te gemakkelijk excuus om er dan maar weer in de gewone, aardse tijd... in de lengte, als het ware... op los te leven. Niet voor niets was die Egberts in de heroïne ontsnapt. (p. 29)

Ernst Quispel, hoofdpersoon en de "advocaat van de hanen" uit de titel, ziet bewust een alternatief in een "leven op het scherp van de snede". De werkelijkheid, ongeacht de goorheid of verveling die eruit spreekt, moet onafgebroken dwars door hem heen snijden. Elk detail wil hij indrinken. Niets mag hem onopgemerkt voorbijgaan. Waakzaamheid is het hoogste goed, apathie een onvergeeflijke doodzonde. Zijn adagium luidt "Aandacht nooit laten verslappen. Oplettend blijven. Niet inzakken." (p. 28), en als het aan hem lag zou hij het ook tijdens zijn slaap indachtig blijven.

De reden voor die drang naar voortdurende alertheid is zijn verlangen om de verwondering in zijn leven te bewaren. Hij wil niet leven in een realiteit die dagelijks als een grijze brij over hem heen plenst en hem volledig koud laat:

De wereld mocht nooit te vanzelfsprekend worden. Nooit mocht de bevreemding over zoveel georganiseerde willekeur verdwijnen, en evenmin ooit de woede daarover. Wie ook maar een moment uit het oog verloor dat het leven iets onherroepelijk voorbijgaands was, en dat de wereld gedurende dat leven maar voor een klein stukje genoten kon worden, die dreigde weg te zakken in dierlijk welbehagen, in apathie. (p. 29)

Het is echter onmogelijk om deze extreme spanning altijd te handhaven. De toevloed van informatie wordt zo overmeesterend dat het gevaar ontstaat vooralsnog afgestompt te raken en aan concentratie in te boeten. Quispel duikt daarom eens per jaar, voor een periode van twee tot vier weken, onder in een ontspanning die even extreem is als de spanning die hij anders handhaaft. Hij neemt "vrijaf" van de werkelijkheid. Het is echter geen bewuste keuze. Hij wordt overvallen door een euforie die hem onstopbaar in de armen van de alcohol drijft. De alcohol polijst als het ware zijn euforie, die anders te onbevattelijk en vormloos zijn gemoed beheerst. Hij valt ten prooi aan drankzucht (de steeds terugkerende aard leidt ertoe te spreken van "dipsomanie" of periodieke drankzucht wat het hoofdmotief is in deze roman). Ernst duikt onder in het goedlachse leven van bars en kroegen, waar hij zich laaft aan wodka ("zuivere" Stolichnaya of Moskovskaya, geen "geparfumeerde troep") en vrouwen. Hoewel hij getrouwd is, komt hij in die periode nauwelijks thuis en beproeft hij herhaaldelijk zijn geluk in buitenechtelijke avontuurtjes. Hij neemt echter meestal genoegen met een rol van voyeur.

Tijdens de rest van het jaar, wanneer zijn zintuigen in opperste staat van paraatheid zijn, tracht hij zijn tijdelijke overgave aan de roes, en daarmee zijn onvergeeflijke gebrek aan alertheid, te catalogiseren als noodzakelijke feiten binnen de willekeur van de realiteit. Hij probeert er allerlei lijnen en verbanden aan te koppelen om zijn ontsporing te vergoelijken. Zo heeft hij voor zichzelf een schematische voorstelling van het verloop van zijn periodes bedacht, die overigens veel gelijkenis vertoont met het verloop van het klassiek drama in vijf bedrijven (expositie - toenemende actie - crisis/climax - afnemende actie - catastrofe) zoals onder andere Gustav Freytag beschreef:

Zolang hij maar overzicht hield, patronen kon ontdekken, dacht hij de boel onder controle te hebben. (...) Hij bestudeerde de periodes vooral in hun veronderstelde onderlinge samenhang. (...) Zelfs zonder zijn ogen te sluiten kon hij het schema van zijn dipsomane buien sinds 1976 op zijn netvlies te voorschijn roepen, even helder en overzichtelijk als op het beeldscherm van een tekstverwerker, in amberkleurige letters en cijfers. Alles in kolommen:
VOORTEKENEN VERLOOP APOTHEOSE NEERGANG NAWERKING (p. 195-196)

Elke periode kondigt zich aan door een aantal onmiskenbare voortekenen. Ernst bemerkt dat zijn gebruikelijke woede plaats heeft gemaakt voor een gevoel van geluk en vrede met de wereld:

Ernst deed zijn mond open om voor de zoveelste keer zijn tirade te houden, maar hij merkte opnieuw dat het hem aan voldoende woede ontbrak.
"Wat wou je zeggen?"
"Niets... niets."
"Toch wel."
"Nou ja, het onzegbare, hé. De liefde... het geluk..."
Het was niets eens gelogen. Precies deze zaken verdrongen zijn altijd gemakkelijk in stelling te brengen kwaadheid. (p. 62)

Meestal koopt hij voor grote bedragen een hoop dure kleren. In de periode die het eerste boek beheerst zijn dat voornamelijk dassen (deze wijzen hem in een tweeledige symbolische werking eerst als pijlen de weg naar zijn euforie, maar die euforie zal hem later "de das omdoen"). Een nieuwe garderobe beklemtoont het feit dat zijn normale leven achter hem ligt. Hij merkt hoe hij bijna gewichtloos aan het zweven slaat. Zijn hele leven heeft hij als een afgestroopte slangenhuid weggelegd. Hij voelt zich één grote lichtbak, en maakt zich op om er zoveel mogelijk mensen als vliegjes tegenaan te trekken. Zijn goedgeluimdheid infecteert de mensen tegen wie hij in de kroeg onvervaard aankletst.

In de tweede fase tracht hij de juiste vorm te ontdekken binnen zijn periode. Quispel is dan geïmpregneerd van de idee een onderliggende structruur bloot te leggen in de werkelijkheid waarvan hij zich het middelpunt weet. Zowel in tijd als in ruimte creëert hij patronen en meetkundige figuren en zijn gevoeligheid voor evenwicht stijgt ten top.

Een ontoegankelijk labyrint bleef de stad niet. In de loop van de eerste week ontstonden verspreid over Amsterdam steeds meer en steeds complexer meetkundige figuren, waarvan de hoekpunten door cafés en andere elementen werden gevormd, en een enkele keer door de woning van een meisje. (p. 188)
(...) Quispel een afzonderlijke drinkavond opbouwde bijna naar analogie van een kunstwerk, naar een apotheose toe. (p. 168)
(...) met al die hangende en staande flessen vlak voor de spiegel was een bar pas in evenwicht. Een dubbele rij orgelpijpen. Het had met het ritme van de bar te maken. (p. 92)

In de fase van de apotheose beweegt Quispel zich meerdere dagen blindelings langs zijn verse routes van kroeg naar kroeg. Zijn korte nachtrust geniet hij in een cel van het door de hanen (dit zijn punkers met hun typische "hanekam") gekraakte Huis van Bewaring.

Het overmatige drankverbruik en het tekort aan slaap en goede maaltijden eisen echter steeds na een korte periode van volmaaktheid hun tol. Quispel voelt de grond onder zijn euforische voeten verkruimelen. Verbeten tracht hij zich terug te werken via een nog groter gebruik van wodka en een vlucht in de welbespraaktheid, maar zijn tong neemt een loopje met hem en zijn lichaam keert zich tegen hem. Zo plamuurt hij ergens tegen een Franse dame aan over de nationale gebruiken met betrekking tot de stoelgang, waarna hij een speciaal fenomeen bij Nederlandse toiletten analyseert:

Als u in de pot, vlak boven het plateau, een hardnekkige vlieg ziet zitten, zó dat u na het neerlaten van uw lichaam het gevoel heeft dat het insekt over uw huid trippelt, weet dan dat het een kunstvlieg is. Een uitvinding van de vrouw. (...) Mannen genieten bij het richten te veel vrijheid, vinden vrouwen. (...) Als je ze maar iets te richten geeft, de heren, dan is het euvel wel verholpen. De man laat dan zijn gedachten niet meer vrij zwerven, en daarmee zijn hand... hij slaat zijn blik tijdens het leegstromen niet meer op naar het plafond... Nee, hij bepaalt zijn aandacht tot de vlieg. Hij is geen filosoof meer: de vlieg moet uit de weg geruimd. "Ik pis hem dood." En plast gericht.' (p.292)

Na enkele minuten oreren wordt hij er zich pijnlijk van bewust dat hij de hele tijd, weliswaar per ongeluk maar niettemin tot groot ongenoegen van de dame, tegen haar scheenbeen heeft zitten trappen.

Het is dan ook niet meer dan logisch dat kort daarna het onverbiddelijke afzweren van alcohol volgt. Quispel keert met hangende pootjes naar vrouw en thuis terug en sleept zich door een opgestapelde kater van vier weken drinkgelag (tijdens zijn euforie heeft hij immers nooit last van een kater, hooguit van een beetje katterigheid). Hij wordt er overweldigd door een lichamelijke en geestelijke malaise die het contrast met zijn gebruikelijke alertheid duidelijk maken. Zijn onvervalste deliria ruimen baan voor onbeheerste verlangens naar vet voedsel (terwijl hij zich elders in de roman beklaagt over zijn "embonpoint" of net iéts te rond buikje) en ongebreidelde sexuele lust (die hij op een gegeven moment botviert via een erotische briefwisseling en een ontmoeting met een meisje dat bereid is zich naakt te bevredigen in zijn bijzijn).

Quispel gelooft dat zijn kwartaaldrinken ondanks de kwalijke gevolgen toch een louterende functie heeft:

(...) dat Quispels uitspattingen een hygiënische functie hadden: hem te reinigen van een ranzige geblaseerdheid die zijn dagelijks bestaan aankleefde. (p. 468)

De jaarlijks herhaalde periode van hyperkinetisch heen en weer snellen in een overdaad aan wodka, gesprekken in mitraillette-tempo en sexuele geneugten moeten hem immuun maken voor het blaséë (het "dierlijk welbehagen", de "apathie") in zijn bestaan. Hij wil zich weer vatbaar maken voor verwondering en woede, voor een totaliteit van emotie tegenover zijn dagelijkse omgeving. Zijn drinkperiode slaat in haar exuberantie en cyclische éénmaligheid putten die in de loop van het jaar met indrukken van de werkelijkheid gevuld kunnen worden. Deze indrukken zijn overigens niet altijd een correcte weergave van de werkelijkheid, maar dat doet ons op het vlak van een neventhema belanden.

1.2. Neventhema: Verstoring van de relatie tussen beeld en werkelijkheid

Men zou veralgemenend kunnen stellen dat de verkeerde visies en opvattingen van de personages in het boek twee verschillende oorzaken kunnen hebben. Ofwel gaat het om een indruk of een verlangen dat achterhaald wordt door een veranderde werkelijkheid, ofwel is die indruk gebaseerd op een foute interpretatie van de gegevens. Het boek concentreert zich overigens vooral op de gevolgen van verkeerde visies.

1.2.1. Visies achterhaald door veranderde werkelijkheid

Quispel wil zich hoeden voor het blaséë in zijn bestaan. Vrij laat in de roman, na zijn laatste euforie, beseft hij dat dat blasé-zijn neerkomt op een apathie wegens voortdurend teleurgestelde verwachtingen, en niet zozeer door een teveel aan zinnelijke ervaringen. A. F. Th. van der Heijden waagt zich in dit verband aan een analyse van zijn eigen generatiegenoten. Hij beschrijft mensen uit de ietwat gefortuneerde middenklasse die na een leven zwoegen voor een bepaald doel tot de gruwelijke vaststelling komen dat dat doel niets anders dan een schim is geworden:

Blasé zijn, dat betekende vandaag de dag: zich zat vreten aan een biefstuk die zelfs in de verste verte niet meer naar biefstuk smaakte. Geen afstomping der zinnen, maar afstomping van gekoesterde verwachtingen. (p. 469)

Als iets zijn generatie bijeen hield, was het de zelden geformuleerde, maar voelbaar aanwezige onbehaaglijke gewaarwording achter het net te hebben gevist, overal te laat voor te zijn gekomen, vooral voor het goede van deze aarde. Het bleek vooral de laatste jaren. Ironie van de welvaart. Nu de "goede dingen des levens" voor mensen als Quispel, Vlacq, Egberts, Seijffardt binnen handbereik leken te komen, bleken ze niet meer te bestaan - of alleen nog als confectie, fineer, namaak, lucht. Waar was, (...) nu een duur vliegticket geen probleem meer vormde, de exotische verte? Het tropisch regenwoud stond gladgeschuurd in het appartement van John Vlacq; je kon er behaaglijk in zitten, maar er niet meer naartoe reizen. (p. 469)

Het is ook op dat moment dat Quispel beseft dat hij zichzelf zand in de ogen heeft gestrooid. Zijn dipsomanie valt immers niet goed te praten als poging om het lichaam weer vatbaar te maken voor het zintuiglijke, aangezien dat nooit het echte probleem was. De futloze werkelijkheid, die elke hoop en verlangen beantwoord met een volkomen onverschillige blik, de Tandeloze Tijd, is hetgeen hem naar zijn dipsomanie drijft. Euforieën en alcohol zijn echter niet in staat zijn geschaad vertrouwen in de werkelijkheid terug te winnen, aangezien de werkelijkheid zelf niet verandert. De wereld zal zijn verwachtingen blijven teleurstellen.

We hebben hier te maken met het aloude Koning Midas-thema, genoemd naar de man die wilde dat alles wat hij aanraakte goud werd maar uiteindelijk van ontbering stierf, omdat ook zijn eten en drinken in goud veranderden. Quispel wil net als die man in staat zijn al zijn verlangens te "verzilveren", maar eens verzilverd blijken het allemaal onbruikbare prullen. De halfbakken realisatie van zijn wensen lijkt in niets op wat hij verwacht had.

Op het einde van de roman kiest Quispel dan ook voor een normaal -banaal- leven met dagelijkse alcoholconsumptie. Dit is voor hem het equivalent van het opgeven van al zijn verlangens en het verzinken in een oneindig passief bestaan. Zijn verwondering en woede tegenover de georganiseerde willekeur in de wereld maken plaats voor ijselijke onbewogenheid. Het betekent het failliet van het "leven op het scherp van de snede"-principe. Quispel beschouwt zijn keuze als zelfmoord:

(...) het was een geduldige dood, een treuzelaar; en dat kwam goed uit, want Quispel had geen haast. Hij was nog maar net begonnen aan zijn zelfmoord - mondjesmaat. (p. 572)

Van der Heijden besluit zijn onderzoek naar de mogelijkheden van een "leven op het scherp van de snede" met een verwerping ervan. De conclusie is niet mals: de grote spanning en de extreme ontspanning die een dergelijk leven vereist leiden onvermijdelijk tot fouten. Deze fouten verplichten de aanhanger uiteindelijk het principe overboord te gooien. De idee waarop een dergelijk principe steunt is bovendien a priori fout.

Als ultieme sadistische doodsteek laat van der Heijden de eega van Quispel ervandoor gaan met Albert Egberts, de man van het "leven in de breedte". Quispel had dit principe aanvankelijk nog zondermeer verworpen.

Naast Quispels generatie is er die van de hanen. Ook zij komen in aanvaring met de veranderde realiteit. Zij nemen het niet dat zij elke betrachting even goed zondermeer kunnen staken omdat de realiteit hen niets gunt. In hun woede tonen ze gelijkenis met de Quispel die inziet dat hij zichzelf zijn hele leven begoochelingen heeft voorgehouden. Het verschil is echter dat zij zelfs nooit de kans hebben gekregen een verwachting te koesteren. Passiviteit en afwezigheid van ambitie is hen als het ware ingelepeld door de volwassen wereld en haar "Mars naar de nullen": de fascinatie voor de heilige eeuwwende en het getal 2000. Die volwassenen projecteren al hun onvervulde verlangens naar dat magische tijdstip. Alles wat daar nog vóór komt vinden ze onbelangrijk, de tijd die de jonge generatie nog aan jeugd rest, tikt daardoor langzaam en ongebruikt weg. In een interview met Elsevier zegt van der Heijden hierover:

Wij (de hanen, nvdr) gedragen ons niet zo maar zo passief. De eeuw raakt op, wij worden geacht straks opnieuw te beginnen, maar dan is onze eeuw voor bij. Wij hebben geen jeugd.

Ze betitelen zichzelf dan ook als de No Future-generatie. Hun filosofie betitelen ze zelf als "Nininisme, nihilisme op z"n Zuidarikaanders: ni dit en ni dat." (p. 216). Ze zullen de wereld, die hen op het achtste wereldwonder (het jaar 2000) laat wachten, laten zien wat echte passiviteit is (net zoals Quispel zich voorneemt te doen), ze zullen stijf als een plank volharden in het absolute niets (wat ook inhoudt dat ze het Huis van Bewaring niet zullen verlaten). Het hek is helemaal van de dam als ze bedenken dat hun gestolen jeugd domweg aan vijftigers wordt geschonken:

Om die stinkerds straks met een schone lei te kunnen laten beginnen, worden wij geacht onze jonge jaren maar zo"n beetje uit te zitten. Vrijblijvende jeugd, zullen we maar zeggen. (p. 213)
"D"r wordt sowieso geknoeid met jeugd," zei Dr. Nop somber. "Met alles waar jeugd in zit. Het woord jeugd, het begrip jeugd... met heel die prachtige tyfusjeugd van ons. Hoe oud zijn wij? Gemiddeld zeventien, achttien. Een stumper van achtentwintig of tweeëndertig die werk gaat zoeken, wordt recht in z"n smoel uitgelachen. De lul is te oud om nog een baan te vinden. Van de andere kant krijgen die ouwelui van ons dagelijks te horen dat ze met hun zevenenveertig of eenenvijftig nog ont-zet-tend jong zijn. M"n schoenen! " (p. 215)

1.2.2. Visies gebaseerd op een foute interpretatie van de feiten

In "Advocaat van de hanen" zijn veel zaken niet wat ze lijken. Zo is de plot gebaseerd op de zoektocht, en de gevolgen ervan, naar iets wat men van het begin af aan verkeerd inschatte en dus nooit kon vinden. De heksenjacht naar het bewijs van het "geweldje" (d.i. ongeoorloofd politiegeweld tijdens een arrestatie), dat Quispel als doodsoorzaak van Dr. Nop beschouwt blijkt nutteloos aangezien die stierf aan de gevolgen van een klap die een half demente bejaarde hem met een baksteen uitdeelde. Alle onderzoeken, hoorzittingen en minister-ontslagen blijken gebaseerd te zijn op een illusie. Het moordwapen, een baksteen vermomd als postpakketje, is overigens evenmin wat het leek.

Er zijn natuurlijk meerdere voorbeelden die dit neventhema illustreren. In zijn studententijd deed Quispel bijvoorbeeld ooit mee aan een oefening van de Bescherming Burgerbevolking. Samen met een groep anderen kreeg hij gruwelijke verwondingen over zijn lichaam geschminkt. Terwijl hij in een open vrachtwagen vervoerd wordt is hij zich in feite nauwelijks bewust van zijn bloederige uiterlijk, tot hij merkt hoe de autobestuurders achter de vrachtwagen vol afgrijzen toekijken. De illusie is voor die mensen werkelijkheid.

Een ander miniem, maar toch beklemmend voorbeeld volgt wanneer de hanen Quispels dochter Cynthia kidnappen. Ze wordt vol tatoeages teruggebracht. Ze willen Quispel daarmee duidelijk maken dat hij de waarheid over het gebeurde in Dr. Nops cel moet uitbrengen. Quispel denkt al in paniek na over hoe hij die tatoeages kan laten wegnemen, maar merkt even later dat zijn dochtertje slechts met plakplaatjes en viltstift beklad is. Weer loopt de interpretatie vooruit op feiten die heel wat minder dramatisch zijn dan ze lijken.

Een laatste voorbeeld is van groot belang in het verhaal, en het reikt meteen ook een volgend thema aan. Als Zwanet, toen nog een vriendin van Albert Egberts, na een verkrachting haar toevlucht zoekt bij Quispel, praat die zichzelf de illusie aan dat ze de hele zaak geënsceneerd heeft als excuus om bij hem te zijn en hem te verleiden. Hij gelooft zozeer in zijn waanidee dat hij haar nog eens verkracht, zogenaamd om haar haar zin te geven. Het gaat zelfs verder. Een tijd later trouwen ze, en tijdens de jaren waarin hun huwelijk standhoudt houdt Quispel vast aan zijn ongeloof. Pas op het moment dat zij hem verlaat gelooft hij dat zij werkelijk verkracht is. Zijn illusie heeft hen als het ware al die tijd verhindert de afstand te nemen die tussen verkrachter en slachtoffer gebruikelijk is. Men kan hieruit afleiden hoe groot de consequenties van verkeerde inzichten en de eraan gekoppelde openbaringen zijn. Ook reikt het ten dele een volgend punt binnen de thematiek aan: het thema van complexiteit, van chaos en de onmogelijkheid deze te overwinnen. Quispel is zozeer overtuigd van een algemene chaos, dat hij niet in staat is te geloven in iets eenvoudigs als het feit dat Zwanet na een verkrachting gewoon bij hem komt om troost en bescherming.

1.3. Neventhema: Complexiteit

Quispel stelt zich op als doelwit voor elke pijl die de werkelijkheid maar op hem wil afschieten. Hij wordt voortdurend bestookt met indrukken die hij nauwelijks aan elkaar kan knopen. Bovendien is elke poging tot het opstellen van een beknopt schema van zijn leven vergeven van de fouten en onvolkomenheden. De hele werkelijkheid maakt hem woedend met haar georganiseerde willekeur (cfr. supra). Op een gegeven moment verzucht hij dan ook hij tegen zijn vennoot Vlacq:

"Wat denk je, John? Zou het menselijk leven zichzelf op den duur kunnen opheffen, simpelweg doordat het... niet alleen technologisch, ook psychologisch... te ingewikkeld is geworden? Van de aardbodem kunnen verdwijnen door een complexiteit die niet langer levensvatbaar is?"
"Spreek voor jezelf, zou ik zeggen."
"Ja, maar ik vraag me nu juist af of de ingewikkeldheid van mijn eigen leven... die kwartaalneigingen en hun gevolgen, de draaikonterij van het afgelopen jaar, mijn onmogelijke verliefdheid..."
"He?"
"Leg ik je nog wel eens uit. Wat ik me afvraag is of mijn leven in z"n complexiteit misschien toch minder subjectief is dan je zou denken. Ik geloof eerder dat het een afspiegeling is van wat voor de hele westerse wereld geldt. Wij zijn te ingewikkeld geworden, dat is het. Verdomd. Lichamelijk, geestelijk... er is geen leven op aarde meer mogelijk, omdat het te complex, te problematisch is geworden. Te veelzijdig in z"n problemen..." (p. 493)
De reeds vermelde complexiteit van Quispels intelligentie verhindert hem te geloven in een verkrachting van Zwanet. Het is geen alleenstaand geval van ingewikkeldheid binnen hun relatie. De verkrachting brengt namelijk met zich mee dat zij beginnen in walging voor elkaar: Quispel walgt van Zwanet omdat hij haar vermeende verleidingstruuc verfoeit, terwijl zij van hem walgt omdat hij haar verkracht terwijl ze net dààrvoor troost nodig had. Quispel bedenkt dat hun liefde omgekeerd zal lopen:
Hoe ging het doorgaans? (...) Zij zouden elkaar zo goed leren kennen, dat zij elkaar niet meer wilden kennen. Walging in plaats van liefde. Het huwelijk van de grauw en de snauw.
Bij Ernst en Zwanet ging het precies andersom. Zij hadden elkaar in de goorste intimiteit leren kennen, met alle afkeer en walging van dien. In latere jaren waren zij naar een steeds grotere ingetogenheid toegegroeid, almaar verlegener wordend tegenover elkaar. Straks zouden zij nog in absolute kuisheid verenigd zijn. (p. 154)

Hun relatie loopt ook in die zin naar een "definitief begin" toe. Quispel wordt verliefd op zijn vrouw, en zij verlaat hem.

Een ander voorbeeld van Quispels bizarre gedachtensprongen komt wanneer Quispel met Vlacq kijkt naar een documentaire over een jonge rebel in een Zuid-Amerikaans land die dodelijk gewond zijn rotsvaste geloof in de goede zaak betuigt. Quispel denkt dat het allemaal opgezet spel is, en gelooft pas de waarheid als er gemeld wordt dat de jongen een kwartier na de opnames stierf.

De bijna filosofische beweegredenen vanwaaruit Quispel handelt in zijn sexuele avontuurtjes tenslotte kunnen ook zijn ingewikkeldheid aantonen. Waar veel mannen zonder nadenken handelen uit lust, overschouwt Quispel de hele zaak en sublimeert hij het tot een bijna platonische aangelegenheid. Door oneindig veel weerspiegelingen van vormen te bekijken kan men volgens Plato een goed idee krijgen van de absolute vorm (inductie).

Quispel houdt het meest van gewone meisjes, bij wie de schoonheid verborgen is. Zulke meisjes zijn volgens hem de echte mooie vrouwen, omdat hun pracht op vele verschillende manieren kan blijken. Ze zitten niet gevangen in het keurslijf van een éénmalige aantrekkelijkheid, zoals Quispels vrouw Zwanet. Zij is voor hem te perfect. Alle ingrediënten zijn op een unieke manier samengegoten en maken haar weliswaar adembenemend mooi, maar laten geen ruimte voor andere dimensies van mooiheid. Quispel wil door vele avontuurtjes met even veel gewone meisjes, die naar zijn believen andere aspecten van vrouwelijke pracht etaleren, op een dag alle vrouwen kennen.

Zij is het waard om naar te kijken. En naarmate je langer naar haar kijkt, wordt zj steeds aangenamer om te zien. (...) Schoonheid is iets wat aangestreken moet worden, en zo pas zichtbaar wordt. Opgewreven als een lamp van Aladin, sorry voor de vergelijking. Schoonheid die pasklaar op me afkomt, kan me gestolen worden. (p. 170)
Vroeg of laat moest hij ze allemaal leren kennen. (p. 172)

2. Motieven en symbolen

2.1. Hoofdmotief: Periodieke Drankzucht

cfr. supra

2.2. Alcohol-motief

Hoewel Quispel tijdens zijn euforie misschien de indruk geeft dat alcohol voor hem een goede zaak is, kan men uit het boek toch een algemene negatieve stemming tegenover drank puren. Met de volgende korte parabel lijkt van der Heijden als het ware kernachtig zijn mening over alcohol te willen uiten:

"Er was eens een jonge monnik die op een dag voorbij het huis van een weduwe kwam. Hij klopte aan voor een slok water, maar werd door haar opgesloten. Zij wilde hem alleen vrijlaten op voorwaarde dat hij met haar naar bed zou gaan, of haar wijn zou drinken, of haar geit zou doden. De monnik raadpleegde zijn geweten, en koos tenslotte voor wat hem het minste van drie kwaden toescheen: hij dronk de vijfliterkruik wijn leeg. Nadat hij de druppels van zijn kin had geveegd, overviel hem een grote bloeddorst: hij stak de geit dood. Na het slachten overviel hem een onweerstaanbare paringsdrift: hij verkrachtte de weduwe op brute wijze."

De parabel drukte precies Quispels situatie uit. De drank was alles ineen. In de drank was alles in de kiem aanwezig. (p. 372)

Van der Heijden behandelt het onderwerp alcohol in relatie met bepaalde thema"s. Hij schuift ze nu eens in het schijnsel van de ene, dan weer in de andere, om aldus het onderwerp zo volledig mogelijk te onderzoeken.

2.2.1. Alcohol en herhaling

Herhaling op zich is in het leven van Ernst Quispel uiterst negatief:

Ze hadden een eerlijke kans gehad. De eerste mislukte cruise. Hij had hem opnieuw willen maken. Overdoen was de zwakheid van zijn leven. (p. 330)

De gebeurtenis waarnaar in dit citaat wordt verwezen is misschien wel het frappantste voorbeeld van het nefaste karakter van herhaling. Op vakantie in Griekenland boeken Ernst en Zwanet een rondvaartje op een luxueuse boot die aanlegt bij enkele eilanden en de mensen de tijd geeft daar wat te winkelen. De luxueuse boot blijkt echter een klein pruttelend zeeschuimertje te zijn en ze krijgen nauwelijks de tijd om aan wal te gaan, één eiland wordt zelfs gewoon voorbijgevaren. Als ze naderhand bij de manager hun beklag doen, biedt die hun een nieuwe boottocht aan. Deze verschilt aanvankelijk echter in niets van de eerste. Dezelfde gammele schuit, hetzelfde jachtige tempo en dezelfde norse kapitein. Dan begint een terrorist in het wilde weg op het dek rond te schieten. Er vallen vijf doden en drieënveertig gewonden. Quispel en Zwanet raken weliswaar niet gewond, maar zijn niettemin in shock:

De ergste aanblik boden niet de bebloeden, maar degenen bij wie de schreeuw nog op het gezicht stond. (p. 331)

Van der Heijden koppelt deze herhaling echter meer prominent aan alcohol en de nefaste gevolgen die deze samen hebben op het leven van Quispel.

Ernst Quispel is onderhevig, het werd reeds aangehaald, aan periodieke drankzucht. Dit fenomeen heeft een troebele band met herhaling: het impliceert dat het drinken niet dagelijks herhaalt wordt, maar wel dat er eens om de zoveel tijd, "periodiek", een herhaling is van een tijdsspanne waarin uitzonderlijk veel alcohol genuttigd wordt.

Die herneming van het drinken krijgt een omeniserende werking. In zijn studententijd was Quispel namelijk een groot drinker, tot Vlacq hem er op wees dat hij zichzelf in de vernieling werkte en geen rekening hield met zijn ouders. Quispel gaat na zijn studies werken in het Haarlemse familiebedrijf van zijn vader. Deze voert representativiteit hoog in het vaandel. Uit angst om te hervallen in een buitensporige alcoholconsumptie en zo uit de gratie van zijn vader te vallen blijft Quispel vier jaar lang van alcohol af. Hij breekt met zijn vader omdat hij van de carrière-advocaterij wil overstappen naar de pro-deo-branche. Later beseft hij echter dat hij enkel met zijn thuis brak omdat Koning Alcohol hem er onbewust toe gedreven had. Wanneer Quispel zich vestigt in Amsterdam, valt hij bijna ogenblikkelijk ten prooi aan zijn eerste euforie en wekenlange drinkgelag. Onbewust belaadt hij zich weer met de zonde die zijn studententijd kwelde en luidt zo het begin van zijn ondergang in. Het volgende fragment toont hoe Quispel beseft dat zijn breuk met zijn vader door zijn drang naar alcohol geleid werd:

Die breuk, zo fluisterde zijn walging hem in, zou evengoed hebben plaatsgegrepen als Quispel senior in plaats van een commerciële maatschap een sociale wetswinkel had gedreven. In dat geval zou de zoon, om de weg naar de kroeg vrij te maken, de pro-deo-mentaliteit hebben afgezworen (zogenaamd om eindelijk eens ernst te maken met carrière en welstand - wat trouwens later, bij een volgende zwenking in zijn leven, ook inderdaad gebeurde). (p. 374)

Ondanks de ogenschijnlijke weldadigheid en zuivering van zijn dipsomane buien, zullen die hem dus uiteindelijk de das omdoen. Hij wordt geschorst wegens het achterhouden van een getuigenis die hij enkel aan zijn dronkenschap te danken heeft (hij komt na een arrestatie wegens dronkenschap terecht in de cel tegenover die van Dr. Nop, en is zo getuige van wat twee agenten met het verse lijk van de jongen doen), en zijn vrouw legt het aan met Albert Egberts terwijl hij op het eilandje Lauwersoog zijn laatste euforie laat uitrazen.

2.2.2. Alcohol en de tegenstelling God/geluk - dood/verderf

Tijdens zijn dipsomane buien maakt Quispel de evolutie door van engeltje naar God naar een beroesde en stinkende sater. In de eerste fasen van zijn periode is hij een soort lichtpuntje dat mensen blijdschap en geluk injecteert.

Hij keek ze nu recht in hun gezicht, de mensen, gulzig, opdringerig, en hier en daar ving hij al een begrijpende blik. Het werd herkend! Zijn euforie was aan de buitenkant zichtbaar, begon al aanstekelijk te werken. Speldepriksgewijs nog, maar toch... En straks, straks, dan begon het pas echt, de verspreiding van het geluk. De verlossing. (p. 87)

Op het hoogtepunt van zijn periode (apotheose, cfr. supra) is hij een ware God, die zichzelf en de buitenwereld volledig in de hand heeft. Dit blijkt onder andere uit verwijzingen naar de harmonische patronen die hij in Amsterdam construeert, maar evenzeer uit bepaalde sleutelfragmenten waarin van der Heijden door contrastering zijn hoofdpersoon een bovenwerkelijke glans verleent. De techniek die de auteur daarbij aanwendt is die van contrastering. Een saillant voorbeeld is dat van de vrouw die op de brug over de Kloveniersburgwal staat te roepen dat zij God is. Quispel, die op dat moment een euforie voelt openbarsten, staat er op zijn gemak met de rug naartoe gedraaid. De ironie van van der Heijden is onmiskenbaar: er is een God op die brug, maar niet de vrouw die het luidop staat te roepen, wel de man die ernaast van de wereld staat te genieten.

Midden op de brug over de Kloverniersburgwal stond een of ander wijf te krijsen dat ze God was. Iedereen die in Amsterdam zijn kunstje wilde opvoeren, kon op een kring van toeschouwers reken, maar naar deze vertoning bleef - misschien uit eerbied - niemand staan kijken. "Ik ben Go-o-...-od!" In een discrete boog liepen de mensen om haar heen. Quispel bleef wel stilstaan, maar aan de brugleuning, met zijn rug naar de loeiende God toe. (p. 57)

Niet ver daarna plaatst van der Heijden Quispel tegenover een man die als het ware op het botte van de snede leeft. Een behanger die in Quispels flat een klusje opknapt laat een geweldige stank van verschaalde alcohol en zware shag na. Hij drinkt elke dag van vroeg in de morgen en licht een groothandel in behangerswaren op. Wanneer hij in de kroeg met zijn vader praat zijn de meest gebruikte woorden: 'Krijg de blauwe bloedhondenkankertyfus...!' (p. 61) Quispel daarentegen drinkt nooit tijdens zijn gewone leven, en als hij dan al "dip" is drinkt hij pas vanaf een onbestemd uur in de namiddag. Daarbij drinkt hij altijd ongeparfumeerde wodka, mede omdat zijn adem daardoor grotendeels gevrijwaard blijft van alcoholdampen. Steeds verpakt hij hetgeen hij wil zeggen in een eloquent jasje, en schuwt scheldwoorden.

Toch verliest hij aan het einde van zijn dipsomanie zijn godenstatus, en wordt een gevallen engel. Het boek opent bijvoorbeeld met een beschrijving van een kater waarin allerlei hallucinaties voor zijn ogen dansen. Van der Heijden tekent na een schets van een Quispel (in de neergang van zijn euforie) in een bar bij sluitingstijd het volgende op:

Het licht brandde op schoonmaaksterkte. Zijn decor was vernietigd. Er restte van de hele parousie alleen een dronkaard die verwijderd moest worden. (p. 254)

Volgens Van Dale is een parousie: de glorieuse verschijning van een vorst of godheid. Zelfs met dit ene woord voegt van der Heijden dus betekenis toe aan het totaalbeeld van zijn hoofdpersoon.

De val uit zijn engelenstatus komt trouwens niet uit het niets. Reeds voor de euforie goed begonnen is, wordt herhaaldelijk gewezen op de nauwe band tussen geluk en pijn. Quispel wordt namelijk in zijn euforie geworpen, en die euforie beschrijft hij als een schrijnend geluk. Schrijnend omdat het zo onredelijk is, zo groots en onbegrijpelijk, en daarbovenop eenzaam. Zo is de titel van een hoofdstuk "Le bonheur se raconte mal" (naar Flaubert). Hoe Quispel ook tegen de mensen aanpraat, en hoe hij hen ook met geluk besmet, nooit zal hij hen deelgenoot kunnen maken van hoe hij zich echt voelt onder deze onbegrijpelijke sensatie. De reden voor het schrijnend zijn van zijn geluk legt Quispel in het afwezig zijn van de dood. In het normale leven uit zijn houding tegenover de dood zich ofwel in doodsangst of in doodsverlangen. Tijdens zijn euforie is er echter van dood geen sprake. Pijn, die de mens anders waarschuwt dat hij gevaar loopt, is tijdens zijn euforie een bewijs dat hij leeft. In zijn studententijd bijvoorbeeld komt hij tijdens het dansen in aanraking met een kachel. Terwijl elk normaal mens dan gillend zou wegspringen, blijft Quispel staan waar hij staat en geniet van de pijn die op een extatische manier doorheen zijn euforie snijdt.

Zijn gevoelens van geluk werden tot het uiterste opgevoerd toen hij merkte hoe de pijn eronder werd gehouden, hoe daar in de diepte elke vezel, elke cel werkte aan de vertaling van pijn in schrijnend geluk. (p. 176)

De dood slaat na zijn euforie wel dubbelhard terug. Na de euforie in het eerste boek wordt hij bijvoorbeeld door de vader van Dr. Nop, wiens verdediging hij met tegenzin op zich neemt, gevraagd om hem te begeleiden naar de lijkschouwing van zijn zoon. Nadat hij een officieel einde had gesteld aan dezelfde euforie, waarin hij vlijmscherp door Amsterdam had gesneden, bedenkt hij dan ook dat alles voortdurend sterft:

Nooit eerder was zo direct tot hem doorgedrongen dat alle min of meer vastomlijnde voorwerpen onophoudelijk in ontbinding verkeerden. Hij zag het voor zijn ogen gebeuren. Hij kon de sproeiregen van nutteloos afval tegen zijn hoornvliezen voelen slaan. Hier... hier... scheur een stuk papier doormiddenm een envelop, en kijk: je denkt van dat ene ding er twee te hebben gemaakt. Maar kijk eens goed... hier, tussen de beide helften: die hele, walgingwekkende nevel van stofjes... Elk benoembaar voorwerp bezat een rafelige omtrek, een onregelmatige kartelrand, waar de vorm in onherleidbaar poeder verdampte. Zelfs het elektrische licht, dat in al dat afval woelde, was op weg naar de verdommenis. Je hoefde maar te wachten op het definitieve knappen van het gloeidraadje. (p. 41)

2.3. Verstopping-motief

Van der Heijden is een auteur die in zijn romans nauwelijks iets aan het toeval overlaat. Veel schijnbaar relevantieloze faits-divers, worden op die manier soms al te snel geïnterpreteerd als wijdlopigheid van een rasverteller. Het merendeel van deze stukken houden echter illustratie in bij de thematiek of zijn symbolen in het verhaal, verdekte vooruitwijzingen of omina.

Toen hij zich omdraaide zag hij in een kamer, waarvan de balkondeuren openstonden, een vrouw in bed liggen lezen. Boven het bed hing een soort triangel, waaraan de zieke zich kon optrekken. In de triangel, die zacht op de tocht bewoog, was een grote sinaasappel geklemd. (p. 281)

Deze passage volgt op een bezoek dat Quispel brengt aan zijn vrouw die nog in de kraamafdeling van het ziekenhuis ligt na de geboorte van hun dochterje Cynthia. Het is één van vele korte stukjes die semi-achteloos doorheen het boek zijn uitgestrooid. Toch is dit niet een frivoliteit van van der Heijden. Hij verwoordt hiermee indirect hoe Quispel alle houvast zal verliezen. Ook zijn triangel zal opgevuld zijn, hem wacht een vrije val zonder vangnet.

Overigens kan men vanuit dit voorbeeld een verband leggen naar een karig uitgewerkt constipatie/verstopping-motief. Aan de hand van dit motief voegt van der Heijden een andere dimensie toe aan het leven op het scherp van de snede-principe van Quispel. Hij gebruikt een andere invalshoek, hier erg lichamelijk, die als metafoor kan dienen voor het gevaar dat Quispel effectief loopt. Zoals de triangel verstopt zit, en zoals mensen geconstipeerd raken, zo wordt Quispel volgestouwd met indrukken. Hij moet van tijd tot tijd "verlichting zoeken" in de extreme ontspanning van zijn dipsomane euforie. Uiteindelijk zijn die echter slechts doekjes voor het bloeden, en zullen die buien hem de nek omwringen. Dit alles wordt het treffendst geconcretiseerd wanneer de homosexuele Thjum aan Quispel uitlegt waarom hij nooit meer anale sex wil:

"Alsof je je van de hele wereld wilt ontlasten... in één worp. Om dan helemaal bevrijd en licht omhoog te schieten uit die hurkhouding. Maar ondertussen gaat de wereld door met jou vol te proppen. Niet goedschiks dan kwaadschiks. Waar je je zo hartstochtelijk van wilt ontdoen, dat vermenigvuldigt zich juist. Het wordt meer en meer. Het gaat je helemaal opvullen. Er moet iets gebeuren - tegen de druk, tegen de pijn. Afvloeiing langs een ander kanaal. Alles wat je kwijt wilt, dat te grote gevoel, dat hele teveel, moet nu aan de voorkant naar buiten. Kameel door het oog van de naald, zeg maar. Dat is geen zelfbevrediging meer. Het lijkt wel of je vecht, met dat ding in je hand. Zo snel mogelijk alles, de hele wereld, naar buiten werpen. Het is geen orgasme, maar een witgloeiend mes dwars door je pens. Harakiri. Verlichting van de pijn, en zelf pijn - zo iets. Maar dat verzengende gevoel wordt gauw ijl, hoor. Het ontsnapt. Het verdampt. Een druppel op de gloeiende plaat, meer was het niet. Die hele last, alles wat eventjes omhoog geslingerd is geweest, ploft nog zwaarder geworden weer in je ingewanden neer. En dan blijkt er plotseling geen noodkanaal meet te zijn, waarlangs het teveel kan ontsnappen. (...)" (p. 258-259)

2.4. Bijbels verloocheningsmotief

De uitwerking van de plot toont op bepaalde punten een erg in het oog springende gelijkenis met een passage uit het Nieuwe Testament in de Bijbel. Tijdens de gevangenschap van Jezus verloochent Petrus tot drie maal toe hun band. Wanneer een haan kraait herinnert hij zich hoe hij Jezus op het hart had gedrukt dat er van Zijn voorspelling ("Eer de haan kraait zult gij mij driemaal verloochenen.") niets zou uitkomen:

69 Petrus zat buiten in de hof en er kwam een slavin naar hem toe, die zeide: Ook gij waart bij Jezus, de Galileeër. 70 Maar hij loochende het ten aanhoren van allen en zeide: Ik weet niet, wat gij zegt. 71 Toen hij naar het portaal ging, zag een andere hem en zij zeide tot hen, die daar waren: Die man was bij Jezus, de Nazoreeër. 72 En wederom loochende hij het met een eed: Ik ken de mens niet. 73 Even later kwamen zij, die daar stonden, naar Petrus toe en zeiden: Waarlijk, ook gij behoort tot hen, want ook uw uitspraak verraadt u. 74 Toen begon hij zich te vervloeken en te zweren: Ik ken de mens niet. 75 En terstond kraaide een haan. En Petrus herinnerde zich het woord dat Jezus gesproken had: Eer de haan kraait, zult gij Mij driemaal verloochenen. En hij ging naar buiten en weende bitter. (Matteüs, 26: 69 -75)

Quispel, die hier de rol van Petrus op zich neemt, antwoordt op de betichting van Kiliaan Noppen ("zodra je karwei afgehandeld is, zijn wij lucht voor je") het volgende:

"Beste jongen," zei Quispel met een buiging, "ik zal je nooit verloochenen. Beloofd." (p. 111)

Even snel als Petrus echter is hij zijn belofte vergeten. Ondanks het feit dat hij Dr. Nop zeer goed kent (er wordt bijvoorbeeld gezegd hoe Quispel meteen ziet dat Noppen verliefd is op een meisje dat hij heeft meegenomen naar het Huis van Bewaring) verloochent hij hem verschillende keren:

"(...) heeft u toen mijn zoon Kiliaan persoonlijk gekend?"
(...) "Hij staat me niet zo bij. Zijn naam maakte, toen ik hem in de krant las, niets bij me los." (p. 101)
Noppen (de vader, md) knikte in de richting van het lijk. "Herkent u hem nu?"
"Moeilijk te zeggen." (p. 120)

Geheel parallel met het Evangelie moet eerst een haan kraaien (de ontvoering en tatoeëring van zijn dochter Cynthia kan men beschouwen als het kraaien van de haan) voor Quispel zijn band met Kiliaan bekend maakt.

2.5. Dier/Primitiviteit-motief

Onmiskenbaar in "Advocaat van de hanen" is het dier/primitiviteit-motief. Dit motief, waardoor veel personages in verband worden gebracht met een dier en primitiviteit, is reeds in de titel werkzaam. Meteen wordt immers verwezen naar hanen. De punkers-krakers waarnaar verwezen, hebben natuurlijk in de eerste plaats de rechtopstaande "hanekam" met echte hanen gemeen, maar de vergelijking kan ook verder doorgetrokken worden. Ze zijn om te beginnen ook strijdlustig als (kemp)hanen, wat zich uit in een gevecht, maar vooral in hun typische hanendans:

(...) toen zij al springend een zekere - onderling bepaalde - hoogte hadden bereikt, werd het een collectieve dans, die overigens even traag en plomp bleef. Het was zaak elkaar midden in de sprong, die daartoe wat meer zijwaarts gericht werd, met de schouders te raken, en wel zo hard mogelijk. Telkens kozen twee jongens elkaar met de ogen uit, veerden allebei tegelijk een halve meter op, en beukten hoog boven hun macht - zijdelings - met schouders en bovenarmen op elkaar in. (p. 218)

Deze dans doet overigens denken aan dansen van bepaalde Afrikaanse stammen, zoals de Masaï uit oost-Afrika, en via deze stammen kan men de hanen een nogal primitieve gedragscode toedichten. Het is dan ook geen toeval dat van der Heijden hen het volgende in de mond legt:

"Heilige uitspraken. Het woordt muzikant was taboe: zo iemand heette organisator van geluid."(p. 217) (mijn cursivering)

Het merendeel van de andere personages worden ook aan dieren gekoppeld, zodat deze indirect enkele bijkomende eigenschappen toegedicht krijgen. Zo is de relatie tussen Zwanet Vrauwdeunt, Quispels echtgenote, en het dier "zwaan" duidelijk. Beide zijn erg mooi en worden alom eerbiedig geprezen. Quispel zelf echter vindt zijn echtgenote te perfect in haar schoonheid (cfr. supra).

John Vlacq, Quispels vennoot, wordt herhaaldelijk een zeepaardje genoemd.

John Vlacq zelf was tenger, klein, breekbaar, rozig, tot in de puntjes gekapt en verzorgd. Quispel had zijn compagnon door diens vijanden wel eens een "gecoiffeerde garnaal" horen noemen, maar zelf vond hij hem met zijn hol gehouden ruggetje, het spitse, snuitachtige gezicht en bij de oren bobbelig verlopende wangen eerder iets van een zeepaardje hebben. Zo bewoog hij zich ook voort: glijdend, zwevend, met roerloos bovenlijf, en alsof zijn korte benen aan het verplaatsen geen deel hadden. Die rozige breekbaarheid, compleet met permanent, maakte dat je even vaak de behoefte voelde hem licht te beschadigen, een beetje te knakken, als hem bezorgd in een wattendoosje op te bergen. (p. 82)

De zoon van de winkelier in het Huis van Haring, een zaak tegenover het Huis van Bewaring waar Quispel nu en een maatje nuttigt, wordt aldus beschreven:

Voor de vader zou de vishandel nooit meer worden wat hij geweest was. (...) De zoon, die zowel en face als en profil de kop van een haring had, compleet met kieuwen, hield de blik op de toekomst gericht. (p. 148)

Meneer Godefroit, de bejaarde die Dr. Nop de fatale klap uitdeelde, zit in een serre (aquarium) als vermeld wordt:

Hij had wel iets van een vis, door al die grijze en roestkleurige pigmentvlekken. (p. 533)

Roxane, het meisje dat Quispel op een avond aan een kroeg oppikt, krijgt herhaaldelijk het etiket "kuikentje" opgeplakt, zoals in het volgende fragment (waarin ook de hanen weer herhaaldelijk aan diersoorten worden gekoppeld):

Gelijk op met het botje liepen in ganzenpas, stijfjes, zes van de hanen uit het HvB II over de oneven kade van de Prinsengracht. Dr. Pixley voorop, achteraan Dr. Nop, die weer gevolgd werd door Roxane met haar gele kuikenkapsel. Hun kammen, blauw, turquoise, naturel en roze, leken groter dan ooit, zo van een afstand: pauwestaarten zonder ogen. (...) Roxane had zichtbaar moeite dit marstempo bij te benen met haar korte pootjes. (p. 246)

Inspecteur Hanekroot, de inspecteur die Quispels getuigenis afneemt, wordt mede dankzij zijn naam verheven in een soort Magere Hein/Pietje de Dood-figuur. De getuigenis die hij afneemt is de voorbode voor Quispels ondergang. Daarbovenop worden in zijn naam de twee elementen verenigd die Quispel de das omgedaan hebben. "Hane-" verwijst ondubbelzinnig naar de hanen. "Kroot" betekent hoogrood, en "in de kroot zijn" staat voor dronken zijn, zodat dit lid verwijst naar alcohol.

Ernst Quispel zelf wordt aan verschillende vergelijkingen onderworpen. Zo brengt van der Heijden aan dat de naam iets heeft van het imperatief "kwispel" aan het adres van ernst of serieusheid. Iets als "Serieusheid kwispel!" geeft dan ook goed de twee delen weer van Ernsts leven. De serieusheid tijdens zijn normale bestaan, en de kwispelende speelsheid tijdens zijn euforieën. Een tweede voorbeeld blijkt uit een verbastering van de vennootschapsnaam "Vlacq & Quispel", die in het boek gekoppeld wordt aan de frase "Vlag & Wimpel". Dit zou kunnen wijzen op het succes dat Vlacq & Quispel aanvankelijk hebben, maar het zou eveneens kunnen wijzen op de hoogmoed, de drang met vlag en wimpel boven de anderen uit te stijgen, die Quispel er onder andere toe drijft een nauwelijks betaalbare flat te gaan huren. Tenslotte is ook de manier waarop de hanen Quispel aanspreken betekenisvol. Ze noemen hem "Quispel de Mispel". De mispel, volgens Van Dale "vrucht van een appelachtige boom, die overrijp gegeten moet worden", is een metafoor voor Quispel. Hij krijgt de vrijheid zijn leven te leiden tot hij in de fout gaat. Hij is dan overrijp en wordt genadeloos in stukjes gebeten en uitgespuwd.

Tot slot: ook buiten het keurslijf van deze thema"s en motieven zit het boek vol met symbolen en details die op een of andere manier betekenis dragen. Van der Heijden doet trouwens uitschijnen dat niet alleen de lezer voortdurend over deze symbolen struikelt. Zijn protagonist Ernst wordt er bij momenten door belaagd:

Zijn normale oplettendheid was nu omgeslagen in een extreme, bijna ondraaglijke symboolgevoeligheid. Hij zou nog sterven aan de veelzeggende tekenen. (p. 515)

Bibliografie

A. F. Th. VAN DER HEIJDEN, Advocaat van de hanen, Querido, Amsterdam, 199812 (1990)

BIJBEL, Evangelie volgens Matteüs, Belgisch Bijbelgenootschap, Brussel, 19827 (1951)

OSSTYN, onbekend, in: De Standaard, 16 maart 1991

Willem KUIPERS, Kwartaaldrinker tussen de hanekammen, in: De Volkskrant, 30 november 1990

Reinjan MULDER, De dans van de harken, in: NRC Handelsblad, 30 november 1990

Filip ROGIERS, Teveel aan niemendal, in: KNACK, 6 februari 1991

Jan HAERYNCK, onbekend, in: De Morgen, 20 maart 1992

Aleid TRUIJENS, Woede moet je meteen vruchtbaar maken, in: Elsevier, 1 december 1990

Jaap GOEDEGEBUURE, Koning Midas in het fin de siècle, in: HP/ De Tijd, 7 december 1990