Ma Xiu Jia

Halletoren

De halletoren, misschien wel het bekendste baksteengebak in Brugge, is te vinden in het hart van de stad, op de markt. De halletoren of, zoals sommige monden verkiezen, het belfort, is in feite een samenvoegsel van twee gebouwen. Als we het woord 'belfort' ter raadpleging voorleggen aan de dikke heer van Dale, krijgen we als antwoord:

"in de middeleeuwen in vele, vooral in Zuid-Nederlandse steden gebouwde toren aan of bij een stadhuis of een markthal, waarin de stadsklokken hingen."

Meteen is een half verhaal verteld. Wat vandaag minzaam als halletoren wordt omschreven is in feite een toren en een geheel (markt)hallen. Het is wel zo dat, net als in Ieper (de andere grote stad in het middeleeuwse Vlaanderen) toren en hallen één geheel vormen, zodat de samentrekking in de volksmond begrijpelijk wordt.

Het halletoren-complex heeft verschillende gezichten gehad voor het de trotse hemeltarter werd die men vandaag vanop verschillende kilometer afstand kan zien. In een eerste vorm was het niet meer dan een houten gebouw met een torentje. Dit houten gebouwtje moet in de twaalfde eeuw of de vroege dertiende eeuw uit de grond zijn gerezen. De ambities van het belfort waren reeds toen niet gering: het belfort was het economische (belangrijkste handelsplaats) en burgerlijke macht (het was de vergaderplaats van de schepenen).

Men schat dat rond het jaar 1240 aangevangen is met de bouw van een bakstenen versie van het complex. Fases in bouw HalletorenIn het jaar 1280 hield een brand lelijk huis in het centrum van Brugse burgerlijke macht. De archieven van de stad werden met welgevallen opgesmikkeld door de hete vlammen. Ook de keure, die door de graaf van Vlaanderen aan Brugge was verleend, werd vernield (wat samen met andere factoren zorgde voor een reeks opstanden in de stad).

Kort na de brand werd het belfort echter opnieuw voornaamheid geschonken. Tegen het einde van de dertiende eeuw was de onderste geleding van de halletoren (die nu nog de bovenste delen van de toren torst) afgewerkt, en waren de 4 vleugels van de hallen afgewerkt. De toren en hallen dienden na de brand van 1280 voor handel en opslag.

Aan een tweede geleding voor de toren werd zeker vóór 1300 begonnen, maar de datum van afwerking is onduidelijk. Volgens sommigen was die geleding slechts rond 1350 afgewerkt. Deze tweede geleding wordt gekenmerkt door hoektorentjes.

In de vijftiende eeuw werd de achtzijdige bovenbouw (de derde geleding) van de toren voltooid. Oorspronkelijk stond bovenop die derde geleding een vierde geleding, een houten spits. Deze spits werd tweemaal door de bliksem geraakt en door vlammen opgepeuzeld. Dat gebeurde voor het laatst in 1741. Sindsdien heeft men die laatste hubris beteugelt en heeft men de toren in de huidige toestand overgeleverd aan de geschiedenis.

De toren is bekend om zijn klokken. In de zomer dwarrelen vanuit de toren heuse beiaardconcerten over de stad neder. Hoog in de toren hingen brandklok/stormklok, overheidsklok en feestklok. Met één van de klokken (afhankelijk, u raadt het al, van de gelegenheid) werd het volk gelokt en toegesproken vanaf het balkon boven de toegangspoort tot de binnenplaats. Wetten en voorschriften voorgelezen vanaf het balkon kregen de weldoordachte naam 'hallegeboden'. Boven het balkon staat in een nis een Mariabeeld. Dit specifieke Mariabeeld is een 20ste-eeuwse kopie van een 16de eeuws beeld (beeldhouwer Michel D'Hondt, naar een oorspronkelijk ontwerp van ene Lanceloot Blondeel). Het is veelbetekend dat net hier, op dit meest Brugse gebouw van Brugge, een Maria in een nis voor de regen schuilt. Doorheen Brugge staan zo'n 300 beelden in allerlei nissen in huizen.

Het moet tenslotte vermeld worden dat het Belfort 83 m hoog is, en in feite, hoewel Brugge bekend is als het Venetië en niet het Pisa van het noorden, scheef. Vandaag leunt de toren, afhankelijk van de schatter en diens alcoholconsumptie, tussen 83 en 119 cm over in de richting van de Wollestraat. Deze scheefgroei is eeuwenoud: reeds in de dertiende eeuw, toen het hele complex in feite geboren is, is de toren scheefgezakt (men vermoed dat dempingswerken in het zuiden van de toren daar iets mee te maken hebben). Bij het bouwen van de twee hogere geledingen in de veertiende en vijftiende eeuw respectievelijk, werden correcties aangebracht, maar de toren bleef zakken. In 1554 werden de hoeken met zware pijlers versterkt, sindsdien is alle instortingsgevaar geweken. In de toren leiden 366 treden naar een 18e eeuwse beiaard met 47 klokken, samen goed voor 27000 kilogram.


Geschreven door Marceau Dewilde in 2003 | Contact | Top