Ma Xiu Jia

Rutger Kopland, Dankzij de dingen

Rutger Kopland (de "nom de plume" van R.G. Van Den Hoofdakker) vertrok bij de titelcyclus van de bundel vanuit de ontroering die hij opdeed in een essay van Robert Anker. In "Over het weg zijn van iets" heeft Anker het volgens Kopland over de afwezigheid van "de vanzelfsprekendheid van de dingen": "Ze zijn er, overal om ons heen, ze horen op een vanzelfsprekende manier bij ons, maar als we hen op een bepaalde manier bekijken, als "dingen", kunnen ze raadselachtig worden." Kopland neemt Ankers voorbeeld van een oude rommelzolder. Wanneer men er tussen een veelheid van voorwerpen dwaalt die "ronddrijven in de schemer van de tijd" is men gefascineerd omdat men "het gevoel krijgt de dingen eindelijk te zien in hun eigen gedaante". Hoewel ze de dragers zijn van allerlei persoonlijke betekenissen, geeft het feit dat de dingen zo onveranderd zijn gebleven aanleiding tot het besef dat de betekenissen alleen de onze zijn. Persoonlijk doet dat alles me een beetje denken aan een soortgelijk gevoel dat men wel eens heeft als men op een bijzondere, onbevangen manier twintig maal een eenvoudig woord of een vertrouwde naam herhaalt: plots lijkt het woord alle betekenis te hebben verloren en te zijn verworden tot de naakte klanksequentie die het in feite is.

Rutger Kopland breidt deze gedachtengang uit: de dingen maken ons "dankzij" hun onveranderlijkheid duidelijk hoe vluchtig wij zijn. Er is iets weg, en dat is niet alleen de tijd waarin die voorwerpen een betekenis hadden, het is ruimer, het is de hele tijd in al zijn aspekten. Alle betekenissen die wij aan de wereld rondom ons gaven, geven en zullen geven zijn even verdwenen: "wij beseffen dat we ons hechten aan iets dat er buiten ons nooit is geweest en nooit zal zijn." Wij zullen dan ook nooit hét "ding" kennen dat er is, altijd geweest is, en altijd zal zijn, dat ligt volledig buiten ons.

Een tweede reden voor Koplands ontroering ligt in het feit dat Anker het ook heeft over de verwoording (of uitbeelding, maar de dichter Kopland ziet die taak niet voor zichzelf weggelegd) van "de aanwezigheid van wat er niet is", bij uitstek de taak van de kunstenaar. Kopland haalt een biografisch feit aan: in de maanden voor het schrijven van de titelcyclus droomt hij zonder zich er nadien iets van te herinneren ("ik herinnerde mij vaag een intens geluksgevoel bij het wakker worden"). Op een morgen dan, zittend aan "de donkerbruine glanzende tafel in de keuken" is het er weer. Hij heeft gedroomd over de vele keren dat hij als kind bij zijn grootouders logeerde. Hij bemerkt dat, als hij bewust in zijn herinneringen over die verblijven duikt, zijn gevoelens helemaal niet zo intens zijn hoewel hij zich een scherp beeld kan vormen van die tijden. Kopland (een psychiater) wijt dit aan het feit dat die droom behalve een particulier aspect ook iets niet particuliers heeft: "Ik was het bij wijze van spreken niet zelf die het opriep". De herinnering aan zijn jeugd heeft een meerwaarde gekregen, iets waarbij Kopland het woord "openbaring" in de mond neemt.

Kopland vergelijkt dit met het bekijken van een stilleven: op het moment van bekijken kan het een emotie losweken die echter snel verdwijnt als men het doek wegneemt. Iets moet blijkbaar de emotie "aansteken". Kopland ziet het dan ook als zijn taak om zelf het stilleven te creëren. Zijn basisdoelstelling voor het schrijven van de cyclus "Dankzij de dingen" was het stilleven te creëren dat bij hem eenzelfde intense emotie veroorzaakte als in zijn droom.

Bij het schrijven van de vijfdelige cyclus is hij vertrokken vanuit het perspectief dat de dagen bij zijn grootouders uit vier fasen bestonden: morgen, middag, avond, nacht die hij dan ook respectievelijk in de eerste vier delen verwerkte. In een vijfde deel wil hij tijd en ruimte opheffen, om zodoende het dynamische teniet te doen en een stilleven te fixeren. Kopland bedenkt dat hij hier aan de kern van zijn poëtica raakt: "Men dient een gedicht spankracht te verlenen door de spanning er uit te halen, men dient het gedicht uit de persoonlijke sfeer te halen door nog persoonlijker te worden, de gebeurtenis zo te vertellen dat zij niet blijkt niet gebeurd te zijn, iets te zeggen wat niet gezegd kan worden."

In het eerste deel, de morgen, schetst Kopland hoe de dingen ontwaken, en dit vanuit het typisch perspectief van een kind. Alles wordt erg zinnelijk ervaren: "laag licht" komt "tevoorschijn" (Kopland verwijst hiermee naar de lage, opkomende zon die hij elke morgen vanuit de keuken van zijn grootouders zag), de dingen krijgen hun geur terug, in de doodstille kamer "gaat het prevelen": "..., Here, zegen ook deze / dag tot in eeuwigheid, amen." Dit gebed past ook in het perspectief van het kind: het "doodstille" van de kamer is tekenend voor het huis van de grootouders, waar geen andere (spelende) kinderen zijn of een handvol volwassenen die zich voor een werkdag opmaken. Het gebed hangt samen met deze stilte (de sfeer in een kerk is voor een kind vaak erg stil, onvatbaar "oud" -de grootouders- en soms een beetje griezelig - "de lucht gaat weer ruiken naar oude mensen" -) alsook met het feit dat het kind geleerd heeft "dankgebedjes" te zeggen bij vele verschillende onderdelen van de dag (de maaltijd, het slapengaan, ...).

In het tweede gedicht schetst Kopland de middag. "De middag waarop de dingen weer samen / die middag worden, [...]" We krijgen een trits zintuiglijke ervaringen, waarmee Kopland "een middaggevoel" tracht op te roepen. Ten eerste zijn er de "lichtvlekjes als vlinders" in de waaiende vitrage. Een onbestemde stilte spreekt ook hier uit. Het kind is op zichzelf aangewezen, het heeft niemand om te spelen. Het kijkt wat rond in het oude huis van zijn grootouders, buiten is het erg warm (dat gevoel wordt ondermeer opgeroepen door een erg zomerse "waaiende vitrage"). Ten tweede zijn er de geuren: fruit, pitriet, bloemen, aarde. Het lijken alle "middaggeuren". Ten derde zijn er geluiden: de zachte geluiden in een huis van oude mensen. Tikkende breinaalden, een ritselende krant. Het laatste vers "het hek piept, het grint zachtjes knarst." wordt door Wim de Geest verbonden aan de dood (die in het laatste gedicht vermeld wordt). Inderdaad is het zo dat de gedachte aan dood prominenter is in aanwezigheid van oude mensen.

In het derde en vierde gedicht krijgen we soortgelijke schetsen. De avond in het derde gedicht is de tijd waarop de dingen weer willen verdwijnen, waarop kleuren verlangen naar het duister. Ook zijn er de geuren van pijptabak en warme melk, en is er het geluid van het voorgelezen Woord (de avond wordt door deze religieuze toets verbonden met de ochtend). De nacht in het vierde gedicht wordt korter behandeld. De dingen worden schaduwen van zichzelf (en maken zich zo klaar om in de morgen ontwaken), de kamer ruikt naar schone lakens (het kind ligt in bed), oud hout en lavendel (weer krijgt men het typische grootouder-gevoel) en het doodstille raam ademt met "slapende kruinen in wind."

Het vijfde deel tenslotte levert een probleem op. "maar het is de dood die zoekt naar / woorden voor het moment waarop / ik, en wat hij ook zegt, / ik ben het." Plots daagt de dood op, en daarbij is er ongrammaticaliteit in de niet lopende zin: "het moment waarop [...] ik ben het". Wim de Geest wijst erop dat veel uitsparingen van redundant materiaal zijn in het hele gedicht. Daar kan de lezer moeiteloos reconstrueren wat afwezig was, mede omdat consequent gewerkt werd binnen het patroon van zintuiglijke ervaringen. In dit laatste gedicht nu is dat niet zo: plots is er "de dood die zoekt naar woorden voor het moment waarop ik" en dan wordt niet verder aangevuld. De Geest vat dit op als "... waarop ik gestorven, dood ben.": de dood neemt het stuur uit de handen van de dichter, de dichter is dood. Op deze manier wordt de hele cyclus in de mond gelegd van de dood. Een op het eerste gezicht erg persoonlijke cyclus wordt aldus (maar daar kijkt Wim de Geest wat over) radicaal onpersoonlijk gemaakt. Men kan alle "indrukken" toeschrijven aan de dood, die dan in het huis van de grootouders op wacht zit. Door de dood in de cyclus te introduceren relativeert Kopland op een moeilijk definieerbare wijze de waarde van de dingen en indrukken: het zijn zíjn indrukken, zíjn betekenissen, die samen met hem voorgoed zullen verdwijnen en waarvoor er in de objecten zelf eigenlijk geen bestaansredenen zijn. De interpretatie van dit alles blijft in elk geval moeilijk, en het is dan ook goed te denken aan Koplands bekende vers: "wie wat vindt heeft slecht gezocht."

Kopland past het procédé van spanning tussen aan- en afwezigheid veelvuldig toe in zijn bundel. Behalve in de titelcyclus doet hij dit bijvoorbeeld ook in de driedelige cyclus "De Plek". Het eerste gedicht opent hij met het kernwoord "Herinneringen". Daarna vertelt hij wat die herinneringen zijn: een bergwandeling (waarschijnlijk zijn er twee wandelaars, een "ik" en een "jij", die op het moment van schrijven als het ware de herinneringen zitten op te halen). De twee bewandelen een pad dat zichzelf verliest tussen stenen. Ze besluiten op een open plek te overnachten. Ze wachten op de nacht, kijken rond, en praten tot ze in slaap vallen. Uit dit eerste deel blijkt meteen het spel met aan- en afwezigheid van feiten: door de afwezigheid van een pad, door de aanwezigheid van een plek, door de bergen, door een kampvuur, etc. is dit voor de wandelaars een diepgaande ervaring. Het tweede deel speelt zich af de volgende morgen, en opent met de verbindingszin "We ontwaakten en begonnen te spreken." (wat dit deel duidelijk koppelt aan het einde van deel I: "We spraken tot we sliepen."). De wandelaars wachten de dag af, ze kijken rond naar de bergen, ze wakkeren hun vuur weer aan. Dan verlaten ze de plek. Als ze omkijken kunnen ze die niet meer terugvinden: "ergens tussen de stenen moest het nog zijn, / maar het was er niet meer." Dat ze daarna het pad terugvinden lijkt bijna een logisch gevolg. Ook in dit deel speelt Kopland dus met aan- en afwezigheid. De plek is plots verdwenen, en met die plek ook heel wat impliciets: de nacht en het gevoel dat ze gisteren hadden (o.m. een gevoel van onverstoordheid: hoewel ze het spoor verliezen, raken ze niet in paniek en beleven ze een mooie avond op een toevallige plek). Door de afwezigheid van de plek is ook de terugkeer van het spoor mogelijk. Het is alsof iets hen naar die plek heeft geloodst door een vreemd spel met een verdwijnend en verschijnend spoor. In het derde deel zinspeelt Kopland hier ook op in. Dit gedicht bestaat uit een reeks proposities die niet uitgewerkt worden: steeds wordt een "als"-zin neergeschreven, de lezer kan de rest invullen. "Als we het spoor niet hadden verloren, / de schemer niet was gekomen, / er ergens tussen de stenen / geen plek was geweest." De aanvulling ligt voor de hand: "dan hadden we deze ervaring niet meegemaakt". In dit derde deel haalt Kopland het persoonlijke eruit door het erg persoonlijk te maken: hij benadrukt het grote toeval dat tot de overnachting leidde en herleidt zo de persoonlijke inbreng. Toch maakt hij ook duidelijk dat het alleen maar hen kòn overkomen: zij waren op de juiste plaats op het juiste ogenblik. Zij hadden dat spoor gekozen, en zij hadden besloten niet meer verder te zoeken naar het spoor toen het plots verdwenen bleek. Zij hadden ook beslist op de plek te overnachten. Er heerst dus spanning tussen schijnbare lijdzaamheid (alles is hen domweg overkomen) en initiatief (ze zijn niet bij de pakken blijven zitten).

In een derde cyclus, getiteld "Water", breidt Kopland dit spel van aan- en afwezigheid verder uit. Hij voegt er de notie van onvatbaarheid, van voortdurende verandering aan toe. Bij het bekijken van water denkt Kopland aan de vele verschijningsvormen ervan: regen, een rivier en een zee. Daarmee contrasteert het feit dat het water dat hij nu ziet eigenlijk niets is: "en zie ik water en weet niet wat het is." Hier klinkt dus een bekende gedachte van Kopland door: door een bijzondere benaderingswijze van de dingen kunnen die hun vanzelfsprekendheid verliezen. De zintuiglijke aspecten, zoals die ook in de titelcyclus voorkwamen, komen hier onder andere in het derde gedicht voor: "Is dit water? Misschien is het dit, / maar onzichtbaar, geluidloos, stil" Hij behandelt een ontologisch vraagstuk: wat maakt de dingen wat ze zijn, en, meer in het globale verband van de bundel: wat zorgt ervoor dat mensen zich aan de dingen hechten en die dingen een betekenis geven?

Deze drie cyclussen passen in het tweede deel van de bundel. Die bundel is in twee delen opgevat en wordt voorafgegaan door twee motto"s. Het eerste motto is ontleend aan een gedicht van Bernlef, waarin die vooral het statische en het zwijgen van de dingen als deugd lijkt te beschouwen. De mens is zichzelf maar afvallig, en dat wordt ook als dusdanig verwoordt in een tweede motto ("wij zijn het zelf die ons, steeds weer, verlaten.") genomen uit "De dingen" van T. van Deel. De mens verlaat niet de dingen, maar zichzelf, ondermeer door het voorbijgaan van de tijd.

Het eerste deel van de bundel is getiteld "Portretten" en biedt de schriftelijke neerslag van een enkele aanblik, een bijhorend gevoel, of een ontroerende herinnering aan iemand. Zo is er het gedicht "Portret met bruid en bruidegom", een aandoenlijk portret van vergankelijkheid. In plaats van het geluk dat bij een huwelijk hoort laat hij onheil doorklinken. Ze moeten voor hun huwelijk hun eenzelvige lichamen voor het laatst hebben bekeken. Die lichamen zijn nu niet meer hun eigen bezit, maar worden gedeeld met de partner. Hun jeugd is definitief voorbij. Als Kopland schrijft: "hoe haar borsten nog jong zijn en glad, aandoenlijk / en zacht zijn geslacht, en hoe blind hun gezichten nog, / hoe het nog is, als marmer." denkt hij aan de veroudering die daarna zal plaatsgrijpen. De driemaal "nog" onderstrepen dat: "nu is het wel nog zo, maar dat zal spoedig anders zijn".

Het tweede deel tenslotte is getiteld "Zichtbaar en toch" en bevat onder andere de drie vermelde cyclussen. Vooral in dit deel lijkt de besproken thematiek algemeen geldend. Ook in het gedicht "Dieren" bijvoorbeeld lezen we een conflict tussen aan- en afwezigheid, tussen "echt gebeurd" en illusie. De dichter wandelt op een morgen door een besneeuwd bos, en vindt er de sporen van dieren die tijdens de nacht vrij actief geweest zijn in dit "huis". In de eerste regel beschrijft Kopland zijn eerste indruk: "Witte morgen waarin de sporen van / wat vannacht is gebeurd.", na enig denken echter (alweer kan men dit verbinden aan het innemen van een bepaald gezichtspunt) stelt in Kopland in de laatste regel: "[...] er zal niets zijn gebeurd."

Tot slot lijken de volgende verzen uit het gedicht "Over een glas", waaruit ook de titel van het tweede deel van de bundel geplukt is, de algemene stemming van de bundel goed samen te vatten: "Zo zichtbaar, en toch, / geen spoor van herinnering, zo / blijft het achter."


Bronnen

Rutger Kopland, Dankzij de dingen, G.A. van Oorschot, Amsterdam, 1989

Rutger Kopland, Dankzij de dingen (dankwoord bij de aanvaarding van de P.C. Hooftprijs 1988), in:

Hugo Brems, Dankzij de dingen, in:

Wim de Geest, Semantisch lek gedicht - Gedicht geopend, in: Dietsche Warande & Belfort 137/4, p. 482-485