Ma Xiu Jia

Pierre Bourdieu

UItganspunten.

Baudelaire en de autonomisering van het literaire veld.

Pierre Bourdieu werkte in zijn verschillende boeken aan een materialistische cultuurtheorie. Zijn theorievorming mondde uit in een systeem waarmee de maatschappij wordt beschreven, zoals die zich tegenwoordig kenmerkt. Bourdieu heeft het over het verband tussen cultuur en klassen, en hij beschrijft hoe materiële levensvoorwaarden ten grondslag liggen aan (klassegebonden) verschillen in cultuur en levensstijl. Eén van Bourdieus belangrijkste betrachtingen schuilt in het doorprikken van de mythe als zouden verschillen in economische levensstijl het gevolg zijn van een culturele situatie, die op haar beurt in natuurlijke gegevenheden zit geworteld (o.a. de "natuurlijke capaciteiten" van een individu, zoals intelligentie). Volgens Bourdieu hebben de verschillen in economische positie en culturele mogelijkheden hun basis in de economische achtergronden van individuën. Die economische oorzaken zouden, in een vicieuze cirkel, zichzelf reproduceren via de cultuur, zodat het voor weinigen zou zijn gegeven op te klimmen (en, in mindere mate, af te dalen) op de ladder van de klassen.

In de jaren vijftig was Bourdieu grondig beïnvloed door het structuralisme. Als antropoloog bestudeerde hij de mores van enkele berberstammen in Frankrijks voormalige kolonie, Algerije. Hij werkte daarbij ondermeer samen met Claude Lévi-Strauss, één van de meest invloedrijke antropologen van de twintigste eeuw. Het structuralisme kon Bourdieu echter niet bevredigen als theoretische basis voor antropologisch veldwerk. Bepaalde schijnbaar arbitraire keuzes in het leven van de berbers bleven onverklaard. In de jaren zestig werkte Bourdieu daarom aan een eigen theorie, waarvan de praxeologie, de theorie van de praxis, als kern kan worden beschouwd. De praxis staat "voor de totale verhouding tussen mens en wereld. Deze verhouding omvat het kijken, spreken, handelen, etc. — kortom alle "akten" waarmee iemand zich richt op een buiten hem staande werkelijkheid." (Laermans, 1982: 22) Bourdieu tracht dus een theorie op te stellen die alle handelingen (in de ruime zin van het woord) van de mens omvat. Het kernconcept in die theorie, de grond waarin alle handelingen hun oorsprong vinden, is de habitus.

De habitus slaat terug op Bourdieus lezing van Erwin Panofsky, die in zijn Gothic Architecture and Scholasticism, het verband tussen gothische bouwkunst en middeleeuwse theologie ziet als een gevolg van mental habits. Het concept "habitus" valt niet samen met de term "gewoonte". Parallel is het feit dat zowel habitus als gewoonte verworven en duurzaam zijn (Laermans, 1982: 22). Het verschil tussen beide concepten schuilt echter in het feit dat waar de gewoonte gelijkstaat met een "onproduktief quasi-autonomisme" (ibidem: 22), de habitus produktief is. De habitus kan gezien worden als een afgebakend kader bepaald door (onbewuste en verworven) denkbeelden en visies op de realiteit. Die denkbeelden stellen grenzen aan het geheel van mogelijke handelingen die een mens kan ondernemen, maar binnen die grenzen blijft de mens "vrij". Bourdieu vergelijkt de habitus met een computerprogramma, waarin sprake is van een gecontroleerde vrijheid: binnen de grenzen van het programma bestaat er een veelvoud aan mogelijke handelingen, maar het programma kan niet buiten haar grenzen treden: het kan niet meer dan waarvoor het is geprogrammeerd. Die stelling doet het vermoeden ontstaan dat een mens wel geprogrammeerd kan worden. Men kan zich afvragen in hoeverre de mens afhankelijk is van zijn omgeving in zijn psychische genesis. Het lijkt erop dat Bourdieu de mens ziet die afhankelijkheid als absoluut ziet. Zijn schijnbaar inherente aspecten als karakter dan echter niets anders dan een gevolg van de individuele levensomstandigheden van een individu? En aan de andere kant: kan men borelingen ("blanco bladeren", ik kom daar zodadelijk op terug) opvoeden tot complexloze misdadigers?

De habitus is opgedeeld in onderling gerelateerde disposities, gedefinieerd als "onderbewuste schema"s die de grondslag vormen van denken, waarneming en handelen." (ibidem: 23) Zo spreekt Bourdieu van de esthetische en de linguïstische disposities. Die disposities dragen de ultieme verantwoordelijkheid voor de manier waarop een mens in de wereld staat: het waarnemen, denken en handelen worden erdoor bepaald en gestuurd.

Het bovenstaande is een ruwe en korte parafrase van de aard en de vorm van de habitus, zoals Bourdieu die heeft beschreven. Eén onvolkomenheid daarbij is alvast het feit dat hij nauwelijks of geen aandacht besteedt aan het interne functioneren van die habitus in de mens. Het moet toegegeven dat Bourdieu geen psycholoog is. Het is opvallend dat hij erin slaagt met zijn systeem structuren te beschrijven, maar vaak ontbreekt daarbij een werkelijke verklaring. Het is eigen aan de sociologie om niet de mens maar de maatschappij als onderwerp van de studie te nemen, maar een gevolg daarvan is dat de mens vaak wordt voorgesteld als onderworpen aan wetten die hem van buitenaf worden geleverd. Dat is zeker het geval bij Bourdieu, wiens theorie verwantschap toont met de filosofie van het tabula rasa. Die filosofische strekking stelde dat de mens als leeg blad werd geboren, zonder enig vorm van besef van aspecten van het leven, zelfs niet van levensnoodzakelijke kenmerken. De strekking bevat mijns inziens veel waarheid, maar kan niet veralgemeend worden. Het lijkt me zo dat de mens, net als andere dieren, geboren wordt met noties over de meest inherente aspecten van het leven (overleven via voedsel, voortplanting), die dan weliswaar worden ingevuld en kleur gegeven in de omgang met mensen, die reeds vanaf de geboorte begint. In die richting (hoewel meer uitgesproken waar het gaat om het belang van aangeboren capaciteiten) gaan bijvoorbeeld Naom Chomsky"s theorieën over de Universele Grammatica. Chomsky gaat ervanuit dat de mens wordt geboren met een taalcapaciteit, een lege "vorm", gelijkaardig voor alle mensen ongeacht hun plek van geboorte, die tijdens de groei van zuigeling tot volwassene wordt ingevuld met de specifieke grammatica en woordenschat van de taal uit de omgeving.

De omgang met mensen is een belangrijk aspect bij Bourdieu. De oorsprong van de habitus ziet hij namelijk in de objectieve sociale omstandigheden van een individu. De habitus ontstaat door een "interiorisatie van de exterioriteit" en geeft, omwille van het feit dat de habitus sturend werkt in het handelen van de mens, aanleiding tot de "exteriorisatie van de interioriteit." (Laermans, 1982: 25) De interiorisatie van de exterioriteit, het ontstaan van de habitus als dispositiesysteem, gebeurt vooreerst in de gesloten gezinssituatie. De gezinssocialisatie mondt uit in de vorming van een primaire habitus. De wijze waarop dat gebeurt is impliciet: door hun gedrag en uitspraken geven de gezinsleden een voorbeeld aan het individu, die dat geheel aan gedrag en uitspraken interioriseren en imiteren. Eén en ander leidt bijvoorbeeld tot een "lichamelijke hexis", het geheel van regels over hoe het individu zijn lichaam houding moet geven. Daarnaast wordt de habitus ook gevormd in het onderwijs, op een expliciete wijze. Het individu wordt geconfronteerd met expliciete richtlijnen hoe zich te gedragen en waarom men zich zo hoort te gedragen. Tussen die twee vormen in situeert Bourdieu kinderspelletjes, die hij ziet als oefeningen van het impliciet geleerde.

De gezinssocialisatie is van kapitaal belang bij het consolideren van de klassenstructuur in de maatschappij. Het hangt samen met Bourdieus snijdende kritiek op het zogenaamd democratische onderwijs. Bij de dominante klassen immers worden kinderen al vrij vroeg geconfronteerd met de expliciete opvoedingsvormen die in het onderwijs heersen. Dat leidt tot een groter verbalisatievermogen bij kinderen uit die dominante klassen, en levert hen een enorme voorsprong op leeftijdsgenoten uit de lagere klassen. In het onderwijs staat namelijk dat verbalisatievermogen centraal: het gaat immers om expliciete pedagogiek. In die zin valoriseert het onderwijs "de "linguïstische dispositie" en denkschema"s die karakteristiek zijn voor de hogere klasse." (ibidem: 26)

Wederom roepen de stellingen van Bourdieu in dit verband vragen op. Laermans formuleert drie onvolkomenheden. Bourdieu zou ten eerste voorbijgaan aan de vraag waarom kinderen imiteren. Daarnaast zwijgt hij waar het gaat over de vraag hoe de mimesis bij kinderen resulteert in de habitus, of de onderliggende schema"s die handelen bepalen. Ten derde blijft de vraag open hoe die schema"s worden versterkt door de ouders. Het is natuurlijk zo dat de vragen van Laermans terecht zijn, maar dat ze in feite buiten Bourdieus studiegebied liggen. De vragen behoren tot het gebied van de psychologie (waarom is de mens zoals hij is?; waarom gedraagt hij zich zoals hij zich gedraagt?). Bourdieu is en blijft een socioloog, wiens hoofdvraag blijft waarom de maatschappij is zoals ze is.

In die maatschappij onderscheidt Bourdieu, net als vele andere sociologen en als politicologen, drie klassen. In zijn opdeling in drie klassen is voor Bourdieu "kapitaal" een sleutelterm. Kapitaal is de omvang van een specifiek "bezit" van een individu. Om het duidelijker voor te stellen: Bourdieu maakt een onderscheid tussen economisch kapitaal (doelend op financieel bezit), sociaal kapitaal (het geheel van relaties tussen het individu en de anderen, en de graad van eer en respectabiliteit die zij/hij geniet) en cultureel kapitaal, dat de tweeledige vorming van de habitus (gezin—onderwijs) weerspiegelt in het feit dat deze vorm van kapitaal bestaat uit de familiaal-culturele erfenis enerzijds, en het aantal diploma"s anderzijds. Het kapitaalbezit is zowel klassegebonden als individueel, hoewel de klasse over het algemeen het kapitaalsvolume determineert. De algemene regel lijkt: "hoe lager de klasse, hoe lager het globale kapitaalsvolume." (Laermans, 1982: 28) De driedeling in de maatschappij (de "sociale ruimte") wordt door Bourdieu aan deze vormen van kapitaal gerelateerd.

Naast het respectieve kapitaalsvolume worden de klassen echter ook gedefinieerd via het verschil in de kapitaalsstructuur. De kapitaalsstructuur, de verdeling van het totale volume kapitaal over de verschillende soorten, kan symmetrisch of dissymmetrisch zijn. Iemand kan bijvoorbeeld veel economisch, cultureel en sociaal kapitaal hebben (Laermans wijst op de vrije beroepen), of kan veel cultureel kapitaal hebben, maar minder economisch en sociaal kapitaal (zoals de bohémiens uit de Franse negentiende eeuw). Tenslotte brengt Bourdieu bij het definiëren van klassen ook de evolutie in tijd van het kapitaalsvolume en de kapitaalsstructuur in rekening. Die evolutie bepaalt het afgelegde en potentiële traject.

Deze drie factoren, kapitaalsvolume, kapitaalsstructuur en traject noemt Bourdieu de "drie fundamentele dimensies van de sociale ruimte" (ibidem: 27). Naast die sociale (klassen-) ruimte is er ook een ruimte van levensstijlen. Laermans verwijst daarbij naar Max Weber, die al in de vroege twintigste eeuw een onderscheid maakte tussen klasse en stand. Klassen zouden zich kenmerken in hun relatie tot de produktie en de toeëigening van goederen, terwijl standen gekarakteriseerd worden door de consumptie van goederen, zoals die blijkt uit de levensstijl. De concepten van klasse en stand werden al even vroeg gezegd elkaar te overlappen, hoewel nooit echt duidelijk werd gemaakt op welke wijze precies. Bourdieus theorie slaagt daar wel in. Hij onderscheidt een "theoretische ruimte van de habitus", waarin het verband tussen klasse en stand (levensstijl) duidelijk wordt (in Bourdieus theorie wordt elke klasse(-fractie) door middel van een klassenspecifieke habitus met een bepaalde levensstijl verbonden).

Bourdieu beschrijft de drie klassen uitvoerig. Hij maakt vooreerst een onderscheid tussen de dominante klasse (de burgerij), de middenklasse (de kleinburgerij) en de arbeidersklasse. Binnen die klassen maakt hij een verder onderscheid tussen verschillende fracties. De dominante klasse, of burgerij, wordt gekenmerkt door een groot kapitaalsvolume. Aangezien de twee voornaamste vormen van kapitaal, het economisch en cultureel kapitaal, vaak niet helemaal hand in hand gaan (waar Bourdieu op wijst wanneer hij het heeft over de kapitaalsstructuur, die symmetrisch of dissymmetrisch kan zijn), maakt hij binnen die dominante klasse onderscheid tussen een fractie die het grootste culturele kapitaal bezit (de intellectuele fractie), en de fractie met het grootste volume aan economisch kapitaal (industriëlen en groothandelaars). De levensstijlen worden respectievelijk gekenmerkt door enerzijds aristocratisch ascetisme, en anderzijds door laxisme, of de luxe-habitus. Dat de levensstijl van de intellectueel dominante klasse wordt gekenmerkt door een zogenaamd aristocratisch-ascetisme, hangt samen met het feit dat de intellectuele fractie zich kan bogen op een sterk ontwikkelde esthetische dispositie. Die dispositie heeft als basisvoorwaarde, althans volgens Bourdieu, de distantie: men moet zich kunnen ontdoen van het "juk der functionaliteit". Om iets als kunst te kunnen waarderen (een waarderen an sich, zonder bijgedachten over het nut van het onderhavige object), moet men zich met de pure vorm kunnen inlaten, de inhoud wordt daarbij van secundair belang. Deze theorie is parallel met Kants vermelding van het interesselose Wohlgefallen, wat stipuleert dat wie van kunst wil genieten geen belang mag stellen in de inhoud of gebruiksmogelijkheden van het kunstwerk. De esthetische dispositie doet overigens meer dan slechts de smaken in kunst bepalen. "Als onbewust waarnemings- en waarderingsschema" determineert de esthetische dispositie alle andere waarnemingen (ibidem: 23). Ook niet-artistieke voorwerpen worden onderworpen aan het "vorm boven inhoud"-principe. Laermans verwijst naar het feit dat voor de intellectueel-dominante fractie eten als goed wordt beschouwd als het lekker is en mooi geserveerd wordt (een stelling die tot het uiterste werd gedreven in de Franse "nouvelle cuisine" die in de jaren tachtig haar opgang maakte). De esthetische dispositie, als deel van de habitus (die het handelen in de ruime zin stuurt, dus zowel het waarnemen als het daadwerkelijk daden stellen), stuurt ook de daden van een individu. Deze daden monden onder andere uit in de specifieke consumptiepatronen en in de lichaamshouding en -taal van het individu. Keuzes in kleding, voedsel en vrijetijdsbesteding zijn op die manier indirect een gevolg van de esthetische dispositie van het individu.

Kunstenaars en intellectuelen dan, of, bezitters van een flinke portie cultureel kapitaal en daarmee samenhangend een sterk ontwikkelde esthetische dispositie, verkiezen de vorm boven de inhoud, en dat uit zich in een neerbuigende houding tegenover het functionele: in de zoektocht naar de Vorm moet alle afleiding, de functionele aardse geneugten, worden vermeden. Daarom besluit Bourdieu de houding van de intelligentsia te bestempelen als ascetisch. Het aristocratische in die houding schuilt in het feit dat zij zich in hun houding superieur voelen: het is de beste levensstijl. De economisch-dominante klasse daarentegen uiten hun onbewuste afkeuring van de functionaliteit van consumptiegoederen door er kwistig mee om te springen. Bourdieu spreekt in dat geval van de luxe-habitus of laxisme.

De tweede klasse die Bourdieu onderscheidt is de middenklasse, of de kleinburgerij. De kleinburgerij wordt par excellence gekenmerkt door hun tussenpositie en hun drang om op te klimmen. Kleinburgers willen opklimmen maar worden daarin geremd door een tekort aan zowel cultureel als economisch kapitaal. Hun betrachtingen om te stijgen in klasse leiden tot verwoedde pogingen om zich te onderscheiden van de arbeidersklasse. Daarvoor tracht de kleinburgerij de mores van de burgerij over te nemen. Bourdieu spreekt in dat verband van een puriteins-ascetische habitus. Ze slagen echter nooit, door hun gebrek aan cultureel en economisch kapitaal, volledig in het assimileren van de levensstijl van de dominante klasse. Laermans beschrijft de haast pijnlijke vergissingen die de kleinburgerij maakt: de kleinburger verwart "operette met klassieke muziek, popularisatie met wetenschap, tv-feuilletons met kunstfilms, etc." (ibidem: 31)

Binnen de kleinburgerij vallen ruwweg drie fracties te onderscheiden. Er is ten eerste de dalende kleinburgerij. Het betreft hier de ambachtslui en kleinhandelaars, die ten prooi vallen aan een sociale regressie en daardoor aan "regressief dispositiesysteem". Erg interessant is de koppeling die door Bourdieu gemaakt wordt tussen dat regressieve dispositiesysteem en toenemende vormen van ongegronde haat: xenofobie, gratuite kritiek op jongeren en consumptie. In zijn visie is dus het verlies van sociaal kapitaal verantwoordelijk voor een verminderde beïnvloeding door de habitus eigen aan de dominante klasse. Bourdieu lijkt van de veronderstelling uit te gaan dat xenofobie sowieso gekoppeld is aan beperkte disposities, en hij heeft daarin misschien wel gelijk. Het is echter zo dat er steeds ook een ruime aanhang voor extreem-rechts gedachtengoed heeft bestaan onder mensen met een aanzienlijke graad van cultureel en economisch kapitaal. Zijn dit de regelbevestigende uitzonderingen? Of is er misschien een aspect in de tegenwoordig gangbare dominante habitus (de basishabitus die door alle burgers zou gedeeld worden, in de zin van de Marxistische zegswijze: de dominante cultuur is de cultuur van de dominerende klasse) dat tot xenofobie aanzet (zie de recente gemeenteraadsverkiezingen in Antwerpen, Gent en Mechelen)? Heeft de trend tot individualisering misschien een belangrijke brok egoïsme in de habitus laten sluipen, of vice versa? En heeft dat egoïsme op haar beurt geleid tot een redeloze drang om zoveel mogelijk mensen uit te sluiten van de betrekkelijke rijkdommen van een welvarend land?

Om op de kleinburgerij terug te komen: Bourdieu onderscheidt daarin nog twee verdere fracties. Dat is ten eerste de stijgende kleinburgerij. Daarin schuilen vooral bedienden en middenkaders. Zij blijven vasthouden aan de hoop ooit zelf (of hun kinderen) tot de burgerij te kunnen behoren, en houden daarom vast aan een strikte puriteins-ascetische levensstijl. Tenslotte is er de nieuwe kleinburgerij. Het betreft hier mensen, werkzaam in de nieuwe sectoren (Bourdieu spreekt van de grafische sector, design en de public relations). Deze nieuwe sectoren kunnen zowel dalen als stijgen. De erg nieuwe, en stilaan mastodontale sector van de IT lijkt een voorbeeld van een stijgende nieuwe sector. Van weinig belang vóór de jaren tachtig, groeiden enkele informatica-bedrijven uit tot de grootste bedrijven ter wereld (denk maar aan software-fabrikant Microsoft of netwerk-specialist Cisco, dat zich een tijd geleden "s werelds grootste onderneming kon noemen). Volgens Bourdieu wordt de fractie van de nieuwe kleinburgerij vooral gevuld door de ratés van de burgerij, die hun familiaal-culturele erfenis niet hebben kunnen koppelen aan één of meerdere diploma"s. Van huis uit hebben zij een dispositiesysteem dat erg verwant is met het aristocratisch ascetisme van de intellectuelen (ibidem: 32). Zij kiezen echter nadrukkelijk voor een tegencultuur: klassieke muziek wordt vervangen door jazz, stripverhalen spelen een belangrijke rol, film (meerbepaald "kleinere" genres: zo is de zogenaamde cultfilm een term die ongetwijfeld aan de nieuwe kleinburgerij moet gerelateerd worden. Parodiërende en schijnbaar slechtgemaakte films —door de dominante klasse van intellectuelen afgekeurd op basis van een "foute vorm"— groeien uit tot een icoon van de tegencultuur van de nieuwe kleinburgerij. "The Rocky Horror Show" is in die zin een erg actueel begrip. De film, gebaseerd op een musical die voor het eerst werd gebracht in het begin van de jaren zeventig, was eigenlijk een "draak van een film", die alle clichés en thema"s verenigde die tegen een algemeen geldende "goede smaak" ingingen. De film groeide desondanks uit tot een ware culthit. Momenteel wordt een musical, op zijn beurt gebaseerd op de film, gebracht in het Gentse NTG).

Deze tegencultuur is op vele manieren een interessant fenomeen. Het zou bijvoorbeeld interessant zijn om na te gaan op welke manieren deze tegencultuur zichzelf als een alternatieve elite-cultuur ziet. Het gaat dan bijvoorbeeld om de vrij snelle opeenvolging van culturele consumptiegoederen die op een bepaald ogenblik aanvaardbaar zijn, en even later uit den boze zijn, omdat de "massa"s" de bepaalde producten hebben ontdekt. Het gaat dan om bepaalde muziekgroepen, televisieprogramma"s en films. Er is ongetwijfeld de factor van het distinctieprofijt (ik kom daar later op terug) die meespeelt. Het fenomeen weerspiegelt overigens iets van de eeuwige betrachtigen van de kleinburgerij, die er nooit in slagen net het juiste attribuut uit de levensstijl van de dominanante klassen te assimileren. Wanneer ze er toch in slagen, dan verschuift de betekenis van dat attribuut, zodat het zijn status als onderdeel van de levensstijl van de dominante klassen verliest. Voorbeelden daarvan zijn overal te vinden. Laermans verwijst naar tennis. Men kan ook denken aan reizen: aangezien het tegenwoordig binnen het budget past van velen om te reizen, moet de dominante klasse, om zich te onderscheiden, het steeds verder en exclusiever zoeken (verre cruises, dure hotels, vluchtjes in een gecharterde Concorde, etc).

Tenslotte definieert Bourdieu ook nog een arbeidersklasse. Het belangrijkste aspect van die arbeidersklasse is haar totale gebrek aan kapitaal: de klasse moet zowel cultureel als economisch kapitaal ontberen. De habitus is dan ook navenant gebaseerd op "le choix du nécessaire", en wordt door Bourdieu als realistische habitus benoemd. Een bijzondere uitspraak van Bourdieu in dit verband is dat de arbeidersklasse die habitus aanvaardt: ze streven niet om "hogerop" te komen. De habitus reproduceert immers ook de levensomstandigheden van de klasse. Het is een opmerkelijke conclusie, temeer daar de arbeidersklasse erg vaak gezien werd, en wordt, als de klasse die vanuit haar ontevredenheid een (eventueel gewelddadige) impuls kon sturen om de koers van maatschappij te veranderen.

Binnen de dominante klasse definieert Bourdieu de strijd die woedt tussen de culturele en de economische fractie. In zijn visie kampen de twee fracties om hun respectieve classificatieschema"s te legitimeren als het dominante schema. Het gaat er dan onder andere om welke levensstijl de beste is. Er is inderdaad een hemelsbreed verschil tussen de ascetische houding van de intellectueel en de verkwistende levenswijze van de industrieel. Maar de strijd heeft diepere wortels. De strijd behandelt ook de vraag wie de legitieme cultuur mag leveren in de maatschappij, en bij wie de ultieme legitimering van de machtsuitoefening ligt. Moet de maatschappij worden geregeerd op basis van economische of intellectuele belangen? Wanneer men de huidige maatschappijvorm bekijkt lijkt het erop dat de economie de lakens uitdeelt. Toch zijn er tegenbewegingen. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de culturele consumptie. Men kan bij een eenvoudige blik op bijvoorbeeld de filmpagina"s in kranten opmaken dat er een tweedeling is waar het cultuur betreft. Enerzijds is er een net, een veld, waar economie regeert (de grote Hollywood-kaskrakers, in Gent vertegenwoordigd door de bioscoop "Decascoop", met de uitreiking van de Academy Awards, de "Oscars", als jaarlijkse uitschieter). Anderzijds een alternatief, intellectueel net (de "andere film", kleinschaliger —soms menselijker genoemd— films die in Gent in de kleinere bioscopen Studio Skoop en Sfinx draaien en waarrond verschillende jaarlijkse bijeenkomsten worden georganiseerd, met de filmfestivals van Cannes, Berlijn en Venetië als dubieuze —want af en toe vinden Hollywood-blockbusters een plaats op het festivalprogramma— hoogtepunten).

In het negentiende-eeuwse Frankrijk woedde (voor het eerst) een hevige strijd tussen de intellectuele en de economische fracties van de burgerij. Dat hangt samen met de autonomisering van het literaire veld. Het volledig veld van de literatuur (de produktie, de consumptie en alle tussen- en randverschijnselen) maakte zich los uit de wurggreep van de burgerij. Er werd niet langer naar gestreefd zoveel mogelijk de wensen van de opdrachtgever te vervullen. Auteurs konden schrijfsgewijs hun zin doen. Dat leidde tot de twee richtingen van de cultuur zoals die boven staan beschreven: een groep auteurs koos voor de economie als richtinggevend principe, een andere groep koos voor het culturele, en werkte vanuit een zo zuiver mogelijke vervulling van de esthetische dispositie.

De autonomisering van het literaire veld had verschillende oorzaken. De opkomst van het marktkapitalisme nam de directe (afhankelijks-) band weg die eeuwenlang had bestaan tussen kunstenaars en hun opdrachtgevers en mecenassen. De relaties tussen vraag en aanbod versoepelden. De toenemende alfabetisering van brede lagen van de bevolking leverde auteurs een groter publiek, en een reeks tussenpersonen kwam tussen de auteur en zijn publiek te staan. Die tussenpersonen hadden een andere functie dan de voormalige opdrachtgevers: zij, als actoren van het marktkapitalisme, streefden vóór alles naar geldgewin. Hun goed- of afkeuring voor bepaalde werken was niet langer belangrijk. Het morele oordeel werd vervangen door de vraag of het produkt genoeg zou verkopen om een bepaalde winst te kunnen maken.

Baudelaire belichaamt, in zijn houding tegenover zowel de dominante klasse van het cultureel kapitaal als die van het economisch kapitaal, de onverzoenbaarheid tussen de beiden. Door zijn gedrag werpt hij zich op als de ware wettensteller van de nieuwe intellectuele dominante klasse. Vanaf het begin van de negentiende eeuw kwam er een toenemende autonomisering van het literaire veld. Voornamelijk door een democratisering van het onderwijs kwam er in Frankrijk, en vooral in de hoofdstad Parijs, een verveelvoudigde aanwezigheid van gediplomeerden. Het nieuwe aanbod aan gediplomeerden overtrof echter veruit de vraag. Bourdieu citeert drie aanwijsbare redenen. Ten eerste de "blokkade opgeworpen door de nakomelingen van het uit de Revolutie, het Keizerrijk en de Restauratie voortgekomen administratieve kader." Daarnaast "de centralisatie en concentratie van gediplomeerden in Parijs." En ten derde "het exclusivisme van de hogere burgerij, die op grond van haar ervaring met revoluties buitengewoon gevoelig is geworden voor elke vorm van opwaartse mobiliteit en deze als een bedreiging voor de maatschappelijke orde ervaart." (Bourdieu, 1992: 75)

De nieuwe gediplomeerden, en vooral zij uit de klassen van de kleinburgerij en de arbeiders, besloten zich "bij gebrek aan beter" in Parijs te vestigen en te leven van hun pen. Er kwam dus een groot aantal schrijvers, maar dat ging gepaard met een eerste massale "commercialisering" van de letteren. Bourdieu spreekt van een "industriële literatuur", gericht op primair vermaak. Eenvoudige romannetjes die in feuilletons werden uitgegeven deden opgeld, en berichtgeving in kranten was gerudeceerd tot bombastische verslaggeving rond faits-divers uit de wereld van de toenmalige bekenden. Een intellectuele toplaag betreurde die industrialisering van literatuur.

Een tweede groep auteurs liet eveneens het economische principe domineren boven het esthetische. Zij zochten hun toevlucht bij de economische burgerij, op de wijze waarop eeuwenlang kunstenaars aan de burgerij verbonden waren geweest. In dit verband gaat het om de literair-artistieke salons van de negentiende eeuw. Het zijn "elitaire toevluchtsoorden waar schrijvers die zich bedreigd voelen door de industriële literatuur en de verliteratuurde journalistiek zich kunnen overgeven aan de wat halfhartige illusie het aristocratische leven van de 18de eeuw te doen herleven." (ibidem: 71) De salons, meestal georganiseerd door vooraanstaande leden van het hof, functioneerden echter ook op diepere sociologische niveaus. De vertegenwoordigde machthebbers, de economisch dominante klassen, trachtten uit het zich omringen met kunstenaars (de intellectueel dominante klasse) een vorm van legitimering van hun macht te puren. Als zij de kunstenaars hun denkbeelden over de wijze van bestuur konden opleggen, zouden beide dominante klassen dezelfde mening, die van de economische burgerij, delen en zou die economische burgerij ultiem gelegitimeerd zijn in de machtsuitoefening. De kunstenaars, anderzijds, geleid door een choix du nécessaire, hoopten door een vertrouwelijkheid met de politieke machthebbers in aanmerking te komen voor allerlei stipendia en geldprijzen.

Er was echter een grote groep jonge kunstenaars die tussen stoel en bank vielen. Een levenshouding die aanvankelijk een noodzaak was geweest, ingegeven door enerzijds economische onmacht en anderzijds door gevoelde intellectuele superioriteit, werd een bewust geopteerde houding. De zogenaammde levensstijl van de bohème maakte zijn opgang. Gericht om zich tegen de levensstijlen van alle andere klassen af te zetten, permitteerde de bohémien zich alles wat door de politieke machthebbers werd afgekeurd.

Bij de vorming van de levensstijl van de bohémien is het interessant Bourdieus uitspraken te bekijken wanneer hij het heeft over het feit dat de onbewuste klassenhabitus de levensstijl zowel van de burger (de dominante klassen) als van de arbeider bepaalt. De levensstijl van de dominante klasse wordt ingegeven door een ontkenning van de primaire functionaliteit van consumptiegoederen. De intellectuele fractie van de dominante klasse sublimeert dit in een ascetische levensstijl: de zoektocht naar de vorm, eerder dan de inhoud, leidt tot een weerzin tegen al te aardse geneugten. Bourdieu spreekt van de aristocratisch-ascetische habitus. Bij de economische kapitaalbezitters leidt de ontkenning van de functionaliteit van de consumptiegoederen tot een verspilling ervan. De vigerende habitus is hier die van het laxisme, of de luxe-habitus. De arbeider wordt wat betreft zijn levensstijl bepaald door le choix du nécessaire: hij leeft op de manier en met de consumptiegoederen die hij zich kan veroorloven. Bourdieu spreekt dan ook van een realistische habitus.

Deze habitussen zijn onbewust in oorsprong, maar ze zijn, en dat is onontkenbaar, tegelijk een bewust mechanisme ter distinctie. Aan de levensstijl van een persoon herkent men de klasse van die persoon en krijgt hij een label "goed" of "slecht" opgekleefd, naargelang zijn levensstijl respectievelijk strookt met dan wel afwijkt van de levensstijl van de dominante klasse. Met andere woorden: "de tengengestelde levensstijlen worden gezien als distinctieve tekens, de burger en de intellectueel halen een niet gezocht distinctieprofijt uit hun levensstijl." (Laermans: 34-35) Bourdieu, en in het bijzonder Rudi Laermans, die Bourdieus opvattingen synthetiseert, ziet daarvoor twee oorzaken. Ten eerste is er sprake van een objectieve relationele logica. Net zoals Saussure"s structuralistische visie op taal inhield dat de langue gezien moest worden als een systeem van verschillen (een specifiek taalteken krijgt zijn betekenis doordat het niet gelijk is aan de andere taaltekens), zo houdt Bourdieu aan zijn aanvankelijke gebruik van de structuralistische methode de mening over dat handelingen hun betekenis krijgen doordat ze verschillen van andere handelingen. De handelingen van de upper class staan haaks op de handelingen van de arbeidersklasse, en net daaraan ontlenen ze hun betekenis. Door hun onderlinge verscheidenheid worden ze distinctieve tekens. Daarbij komt dat, ten tweede, de tegenstellingen ook als zodanig worden waargenomen. "Door hun waarnemings- en waarderingsschema"s ("de smaak") percipiëren en waarderen mensen elkaars handelingen en consumpties als distinctieve tekens. Deze schema"s veranderen de verschillen tussen de klassegebonden handelingen en consumpties in classificerende handelingen en objecten." (Laermans: 36).

Op een dergelijke wijze kan de opkomst van de bohémiens worden beschreven. Aangezien zij wel cultureel kapitaal bezaten (ten bewijze de grote aanwezigheid van gediplomeerden in hun kringen), maar geen economisch kapitaal, raakten zij enigszins in een tussenpositie. Het is namelijk zo dat zij, mede omwille van hun cultureel kapitaal meenden aanspraak te kunnen maken op economisch kapitaal, en in extenso, op macht. Vele jonge kunstenaars probeerden om in de gunst te vallen van één van de organisatoren van een salon, maar slechts weinigen slaagden daarin. Integendeel, zij die in de salons werden uitgenodigd bleken meestal kunstenaars die door hun collega"s (aanhangers van een "zuivere kunst") werden veracht. De schrijvers die in krantenredacties werden aangesteld moesten kopij produceren volgens de strikte richtlijnen van hun werkgevers. Een flink aantal kunstenaars werd daarom afkerig van zowel het "establishment", als van de "cultuurloze parvenu"s" (Bourdieu, 1998: 80) die de kranten vulden met lofredes voor de banaalste boekwerkjes en voor de politieke machthebbers. De kunstenaars die zich met het "hoogste" bezighielden, de zuivere kunst, stelden zich naast en boven alle andere klassen. Bourdieu citeert in dat verband de gebroeders Goncourt, die stellen dat "kunstenaars, letterkundigen, geleerden zich nooit met politiek zouden moeten bemoeien: het is de storm die ze ónder zich door moeten laten trekken." (1992: 82)

Die afkeer leidde tot een uitvergroten van verschillen in levenswijze. Waar de levenswijze van de nieuwe en, op het institutionele vlak, thuisloze kunstenaars aanvankelijk door hun klassenhabitus (zoals vermeld waren velen van de nieuwe gediplomeerden van oorsprong provincialen uit de lagere kleinburgerij en de arbeidersklasse) geleid werden tot een leven van le choix du nécessaire, werd die levensstijl een distinctief teken, een teken waarmee de afstand tussen de economische dominanten en de cultureel dominanten kon worden gesymboliseerd. De nieuwe kunstenaars gaven zich over aan een liederlijk leven, gekenmerkt door een bescheiden vorm van vrije liefde, drank en feesten.

De wijze waarop Baudelaire dan, volgens Bourdieu, op de titel van nomothesis, of wettensteller kan bogen, is door zich kandidaat te stellen voor de Académie Française. Die daad maakte de breuk duidelijk tussen de ware esthetisch dominante klasse en de (economische) machthebbers. Enerzijds maakte hij de nieuwe, onafhankelijke kunstenaars duidelijk dat ze, door hun speculaties over de reden van Baudelaires kandidatuur, en over de vraag of die wel of niet zou aanvaard worden, afhankelijk bleven van de instituties van de economische burgerij. Baudelaire slaagt in "het omkeren van de waardenschaal, waarmee hij degenen die hem erkennen en die door zijn daad in de war zijn gebracht dwingen toe te geven dat ze de oude orde meer erkenning gunnen dan ze zelf beseffen." (ibidem: 85). Anderzijds dwingt hij de economische burgerij zich (negatief) uit te spreken over de status van de nieuwe kunstenaars. Baudelaire werd immers, onder gelijkgezinden, hooggeacht en aanschouwd als één van de opvallendste figuren en beste auteurs. Door dan die bekende en beruchte (de publicatie van zijn Fleurs du mal leverde hem een proces op) Baudelaire te weigeren, sprak de bourgeoisie zich uit tegen de nieuwe kunst.


Bibliografie

Bourdieu, Pierre. (1992). De regels van de kunst: Wording en structuur van het literaire veld. vert. door: Rokus Hofstede. Amsterdam: Van Gennep, 1994.

Laermans, Rudi. (1982). "Bourdieu voor beginners". In: Heibel. jg. 15, 1982, 12 3. pp. 21—43.