Ma Xiu Jia

Het Prinselijk Begijnhof 'De Wijngaard'

  1. Voorwoord
  2. Geschiedenis van het Brugse begijnhof
  3. Het dagelijks leven in De Wijngaard
  4. Situering en vorm van het begijnhof
  5. Bibliografie

Voorwoord

Gelegen in het centrum van Brugges 'historische archipel', op een boogscheut van de Onze-Lieve-Vrouwekerk, de Sint-Salvatorkathedraal en het oud Sint-Janshospitaal is het 'Prinselijk Begijnhof De Wijngaard' voor vele bezoekers een absolute must. Het middenplein van het Begijnhof ademt een uitzonderlijke sfeer, die reizigers uit verre streken, net als vele Bruggelingen, al een paar eeuwen heeft weten te begeesteren. De schoonheid van het hof is iets wat elk voor zich aan den lijve kan ondervinden, de geschiedenis ervan is echter minder bekend, maar daar poogt deze tekst verandering in te brengen.

1. Geschiedenis van het Brugse begijnhof

Oorsprong en Begin

De grondslag van het begijnwezen moet enerzijds gezocht worden in de religieuze hervormingsbeweging die in Europa woedde tussen de tiende en de elfde eeuw. Anderzijds zorgden de kruistochten in de elfde en twaalfde eeuw voor een acuut probleem in de Europese hoge klassen. Aangezien vele strijdvaardige edelen het leven lieten in de Oriënt werden veel vrouwen weduwe en was er een nijpend tekort aan huwbare mannen voor heel wat jonge adelmeisjes. Deze factoren leidden ertoe dat Lambert de Bègue, een Luiks priester, in 1189 belast werd met de oprichting van een nieuwe religieuze orde. De bedoeling was niet een nieuwe kloosterorde pur sang te vormen maar veeleer een half-religieus toevluchtsoord waar alleenstaande dames uit de high society eervol hun dagen konden slijten.

In de loop der eeuwen zijn verschillende suggesties gedaan om de oorsprong van het woord begijn te duiden. Een voor de hand liggende verklaring wijst op de naam van de officieuze stichter van de orde, Lambert de Bègue. Uit zijn familienaam zou de Franse term bèguinage zijn afgeleid, een term die in Vlaamse en Brabantse monden tot begienen en begijnen verbasterd werd. Anderen menen dat een verklaring veeleer moet gezocht worden bij het Franse woord bège (vaalgrijs), wat zou verwijzen naar de kleur van een begijnenhabijt.

De geschiedenis van de begijnen in Brugge begint officieel in 1242. In een dokument uit dat jaar zegt Johanna van Constantinopel de Brugse begijnen haar bescherming toe. Vóór 1242 is alles echter vaag. Men vermoed dat de eerste begijnen rond 1225 in de stad opdoken. De begijnen, die eerst nog verspreid in de stad leefden, groepeerden zich en vestigden zich samen op een moerassig stuk grond dat toen bekend stond als Vinea supra Roiam, of Wijngaard op de linkeroever van de Reie. Het begijnhof is vandaag nog op die plek te vinden.

Die specifieke locatie was voor de begijnen dubbel voordelig. Enerzijds lag ze bij het stromend water van de Reie, wat het wassen van linnen, één van de typische bezigheden van de begijnen, vereenvoudigde. Anderzijds lag de Vinea supra Roiam vlak naast het Sint-Janshospitaal. Dit was vrij gunstig aangezien de ziekenzorg een andere hoofdbezigheid was voor begijnen.

Omwille van het officiëlere en respectabeler karakter van de orde, en de steeds nadrukkelijker aanwezigheid van de begijnen in de stad, werd de groep begijnen in Brugge steeds groter. De begijnen werden ten langen leste belangrijk genoeg om de kerkelijke overheid, vooral met hulp van de (mannelijke) orden van de Dominikanen en Predikheren, ertoe aan te zetten tussen beide te komen om de organisatie in goede banen te leiden. Rond 1240 al moet de Brugse begijnengemeenschap zó omvangrijk geweest zijn zowel de kerkelijke als de burgerlijke overheden eraan dachten een afzonderlijke begijnenparochie te stichten. Hier was echter een conditio sine qua non aan verbonden.

Om officieel parochie te kunnen worden moest de orde beschikken over een eigen kerk, en dat was in 1240 nog niet het geval. Aan de andere kant van de toenmalige stad stond echter, op de Burg, in de schaduw van de (niet langer bestaande) Sint-Donaaskerk, een ongebruikte kapel. Margaretha van Constantinopel, die het net als haar overleden zus Johanna hoog op had met de Brugse begijnen, vroeg toestemming aan de toenmalige bisschop Walter van Marvis om de kapel steen voor steen af te breken en ze naar de Vinea over te brengen. De bisschop, die bevoegdheid had over geheel Vlaanderen, stond dit toe op 24 juli 1244. Een klein jaar later, in 1245, was de kerk volledig verplaatst en gereconstrueerd en werd de nieuwe parochie een juridisch feit. Gebieden die tot dan aan de parochies van Onze-Lieve-Vrouw, Sint-Salvator en Sint-Michiels hadden toebehoord werden samengevoegd en als zelfstandige entiteit onder de doopvont gehouden.

Bloei

Het Brugse begijnhof De Wijngaard kende, een snelle en aanhoudende groei. De begijnenorde werd, mede omwille van hun liefdadigheidswerk, vrij vlug populair onder de bevolking en kon rekenen op gunstig gezinde gezagsdragers, die de orde talrijke privileges toezegden. Zo kende Graaf Gwijde van Dampierre, zoon van Margaretha van Constantinopel, de infirmerie van de orde vanaf 1281 een jaarlijkse rente toe, een akt die tegelijk de eigen rechten van de gemeenschap consolideerde. Een ander voorbeeld is het feit dat het begijnhof zich vanaf 1299 mocht sieren met de titel Prinselijk. In dat jaar werd het door Filips de Schone, koning van Frankrijk en leenheer van Vlaanderen aan de jurisdictie van Brugge onttrokken en onderworpen aan zijn eigen, prinselijk, gezag.

De gouden periode van het begijnhof kende in het begin van de veertiende eeuw een voorlopig einde. Door overstromingen gedwongen moesten de Brugse begijnen in 1315 tijdelijk hun hof verlaten en in het Kortrijkse begijnhof onderdak zoeken. In 1317 verbood de toenmalige paus Johannes de begijnenorde, maar het verbod werd nauwelijks een jaar later alweer opgeheven, en de Brugse begijnenorde is van dan af vele jaren blijven groeien. In 1322 vaardigde paus Johannes een bul uit, waarin hij de begijnen als Rooms-katholieke gemeenschap erkende. In de vijftiende eeuw was het begijnhof op haar grootst. Zo leefden er in het jaar 1441 zo'n 152 begijnen verspreid over 11 conventen.

kerkje

Deze kerk werd aan Sint-Elisabeth toegewijd. Boven de ingangspoort prijkt een beeltenis van die heilige. Op 9 januari 1585 brandde dit bouwsel af. Wevers en landbouwers uit Belle en Hondschoote hadden er kort daarvoor van het Brugse stadsbestuur onderdak gekregen. Ze gebruikten het gebouw echter niet alleen als verblijfplaats, maar stapelden er ook hun oogsten in. Een omgevallen kandelaar stak de oogst in brand, en het vuur sloeg over op de kerk, die volledig vernield werd. In 1587 werd de begonnen aan de bouw van een nieuwe kerk. De driebeukige kerk met dakruiter is in 1605 voltooid. In datzelfde jaar is het prachtige koorgestoelte geplaatst. De kerk en het koorgestoelte staan er vandaag nog steeds.

Verval en Einde

Met het voorstschrijden van de tijd, in het bijzonder vanaf de late achttiende eeuw, begon het begijnhof onvermijdelijk op een einde af te stevenen. Op 22 oktober 1858 werd de subsidie, die meer dan een halve eeuw aan de Grootjuffrouw was uitgekeerd, ingetrokken, zodat het begijnhof van de ene op de andere dag zonder inkomsten zat. Alleen wie van rente kon leven kon begijn worden. De rekrutering werd zo steeds moeilijker. Aan het begin van de twintigste eeuw lag het begijnhof te zieltogen. Terwijl De Wijngaard in 1856 nog dertig begijnen telde, had het Brugse hof in 1925 slechts zeven bewoonsters, met de jongste intrede daterend uit 1905.

Sinds 1928, zo'n zevenhonderd jaar na de stichting van het begijnhof, zijn er geen begijnen meer. In 1930 vestigde zich er evenwel een kloostergemeenschap van Benedictessen. Deze zusters houden uit respect de klederdracht van de begijntjes in ere.

2. Het dagelijkse leven in De Wijngaard

In De Wijngaard werd de levenswijze bepaald door een rond het jaar 1300 neergeschreven regel. Deze regel legt de nadruk op orare, laborare, pati of gebed, arbeid en zelfverloochening, evenals evangelisch geïnspireerde beginselen van gehoorzaamheid en kuisheid. Deze regels werden vrijwillig en ernstig nageleefd, aangezien de Begijnen geen plechtige geloften aflegden. Dit hield echter ook in dat de hoven niet verplicht waren om de ingetreden begijnen te onderhouden en dat die Begijnen die niet over voldoende bestaansmiddelen beschikten — vooral in de late middeleeuwen werd het Begijnschap iets voor dochters van de hogere klassen — daarin moesten voorzien door persoonlijke arbeid. In praktijk hield die regel vooral stilte en gebed in, gecombineerd met vasten en discipline. De hoofdarbeid van de begijnen bestond uit het reinigen van wol voor de Brugse weefnijverheid in het water van de Reie, en het verzorgen van de zieken en bejaarden in het nabijgelegen Sint-Janshospitaal. De regel gebood dat die arbeid zoveel mogelijk in stilte werd verricht, en elke avond werd in groep besproken in hoeverre de regel was nageleefd. Fouten die begaan werden in het publiek en verstrooiing of schande voor een begijn of voor de hele orde tot gevolg hadden, werden bestraft met een tuchtiging in het publiek.

De regel uit het jaar 1300 beschreef ook de organisatie binnen de begijnengemeenschap. Aan het hoofd stond een Magistra of Grootmeesteres, bijgestaan door meesteressen die de leiding hadden over de conventen, zo'n 7 in 1354. Alle begijnen waren verplicht in een van deze conventen toe te treden. Voor de buitenwereld werden de begijnen vertegenwoordigd door de Meester of Rector, aanvankelijk was dit de prior van de Dominikanen, later de Gardiaan van de Franciskanen. De begijnen zelf werden in twee groepen verdeeld. Enerzijds waren er die begijnen die in de infirmerie dienst deden. Dit waren meestal dochters uit de minder welstellende groepen. Hen viel de zorg toe voor zieke begijnen. Anderzijds legde een groep begijnen zich toe op het koor. Het betrof meestal vrouwen uit welstellendste families, en daarvoor is er een eenvoudige verklaring. Slechts begijnen uit begoede families hadden een opleiding genoten en kenden dus voldoende Latijn om de Latijnse teksten te zingen.

3. Situering en vorm van het begijnhof

Het Begijnhof is een eiland in de stad. We bereiken het langs het Minnewater, dat oorspronkelijk overigens ook aan de Begijntjes toebehoorde. Het Minnewater heette toen Boetevijver of Vijver des Weemoeds. Al wandelend over de Wijngaardbrug uit 1570 bereiken we de stijlvolle ingangspoort. Boven die poort, eveneens uit 1570, is het woord Sauvegarde uitgehouwen, wat hier zoveel betekent als 'Beschermend en Beveiligend toevluchtsoord'. In de nis boven dat uitgehouwen woord vinden we een beeltenis van Sint-Elizabeth, de patrones van het Hof. Een opmerkelijk feit is dat de poort, in navolging van een eeuwenoude traditie, nog elke avond gesloten wordt.

Het Brugse begijnhof, dat vroeger nog een stuk groter was dan nu, is een begijnhof van het pleintype, en heeft een winkelhaakvorm. Een dertigtal witte huisjes omgeven het grasveld. De oudste zijn uit de zes-en zeventiende eeuw. De kerk staat niet, zoals gebruikelijk in Begijnhoven, in het midden, maar aan één van de zijden. De nabijliggende woonplaatsen (godshuizen) waren voorbehouden voor de armste begijntjes.

Als slot willen wij citeren: "De naam Brugge uitspreken, is Begijnhof zeggen." (Felix Rutten).

Bibliografie

  • "Het Prinselijk Begijnhof De Wijngaard in Brugge", Fernand Bonneure en Lieven Verstraete, Lannoo, Tielt, 1992.
  • "Prinselijk Begijnhof 'Ten Wijngaerde' Brugge", Karel Devocht, eigen uitgave, 1992.
  • "Didactische Schooluitstap Schooljeugd", Werkgroep Didactische Schooluitstap, Stadsdrukkerij, Brugge, 1990-1991.
  • "Grote Nederlandse Larousse Encyclopedie", Schrijversteam Larousse Heideland-Orbis NV, Hasselt, 1974.

Geschreven door Marceau Dewilde in 1993 | Contact | Top