Ma Xiu Jia

Gerrit Achterberg, Afvaart

Gerrit Achterberg, een dichter die een unieke plaats inneemt binnen de Nederlandse literatuurgeschiedenis, publiceerde in 1931 zijn eerste echte bundel "Afvaart". Het merendeel van de gedichten in de bundel lijken aan een geliefde gewijd. Hans Barendregt stelt dat achter de veelvuldig opduikende "jij" of "u" niet enkel een vrouw zit, maar dat Achterberg tevens associaties legt naar Jezus Christus.

Het menselijke aspect van Achterbergs geliefde bezorgt de bundel een heel eigen thematiek. Ze is namelijk gestorven, en, bewogen door gemis, tracht Achterberg haar te zoeken. Hij tast daarvoor grenzen af, hij treedt in een ander gebied, in zijn herinneringen en in de dood. Een puur "dichten is zoeken"-credo weerklinkt in het titelloze inleidende gedicht (dat ook een verklaring biedt voor de titel van het gedicht) : "Aan het roer dien avond stond het hart / en scheepte maan en bossen bij zich in / en zeilend over spiegeling / van al wat het geleden had / voer het met wind en schemering / om boeg en tuig voorbij de laatste stad." Enkele elementen hebben een duidelijk symbolische waarde: het varen in de avond (en komende nacht) kan symbool staan voor een innerlijke zoektocht in donkere delen van zijn ziel, het hart aan het roer maakt duidelijk dat de zoektocht voor hem met liefde heeft te maken, spiegeling en voorbij de laatste stad als voorbode van een zoektocht in zijn herinnering, voorbij de grenzen van de rationaliteit, en tenslotte zijn er nog verschillende (idioomgebonden - volgens A.H.L. Sötemann leunt Achterberg, hoewel vrij uniek, het dichtst aan bij het symbolisme) termen als maan, wind, schemering en lijden die in de bundel vrij vaak voorkomen.

Een tweede betekenis die aan zijn menselijke geliefde lijkt te zijn ontsproten is het thema van de eeuwigheid. Aangezien de vrouw gestorven is, is zij in ontbinding, waardoor ze zich als het ware aan de natuur en daardoor ook aan de kosmos vrijgeeft. Zij is dus opgenomen in iets eeuwigs en altijddurends. In de bundel "Afvaart" combineert Achterberg dit vaak met de onoverbrugbare scheiding tussen hem en zijn geliefde: zijn geliefde zwerft in een gebied waar hij, minstens tot zijn dood, als sterfelijk mens, geen toegang tot heeft. Deze onbereikbaarheid wordt onder andere verwoord in het gedicht "Afscheid": "Dwalende zal ik haar nagaan als de verten / haar hebben ingeademd uit mijn ogen;". Het "ingeademd" wijst op het vreemde, "tegelijk overal en nergens"-zijn van de geliefde, wat een hereniging onmogelijk maakt. In het gedicht "Verbeiden" speelt Achterberg met soortgelijke betekenissen: "hoe lang lig ik hier, dat ik u verbei, / als een bloem aan de eeuwigheid ontloken, / terwijl ge naar uw horizon zijt overgestoken, / waarvan ik het land voel bewegen in mij." Achterberg wacht op zijn geliefde die echter naar een "eigen horizon" is overgestoken. Hij suggereert ook hier een afwezigheid ("uw horizon") die tegelijk aanwezigheid ("waarvan ik het land voel bewegen in mij") inhoudt.

De "jij" of "u" kunnen echter naast deze concretisering van "gestorven beminde" ook vaak ingevuld worden door Jezus Christus. Achterberg was belijdend protestant, en hij had ook mystieke kenmerken. Zijn streven naar eenheid is voor dat laatste typerend. Hij wil absolute eenheid met zijn geliefde en met Christus, maar vaak ook gebruit hij een decor als omschrijving van hoe hij zich voelt. In het gedicht Sneeuw schrijft hij: "achter het witte scherm, dan vlokken, / sneeuwvlokken, klokken, koele kilte / over de wereld en een hart, / elkaar gelijk in den winternacht." Er is eenheid in buitenwereld en gemoed, beiden worden beheerst door een "koele kilte", niet in het minst veroorzaakt door sneeuw.

Voor de protestant die hij was, is het streven naar God het hoogste, en de weg naar God leidt over Christus. Doorheen zijn bundel zijn verschillende gedichten te vinden waaruit men kan afleiden dat Achterberg begaan was met Jezus Christus. Zo beschrijft hij in enkele gedichten een geliefde met kenmerken die voor Christus zijn weggelegd. In andere gedichten gebruikt hij elementen uit de christelijke geloofsleer. In het drietal Strophen waarmee de bundel opent verbindt Achterberg het lot van zijn geliefde met dat van Christus: "Gij bidt u in den hof voor mij ten bloed. / Een haan driemalen kraaide, hoog en hees. / Ik kom u als een Petrus tegemoet." In het gedicht Dodenwacht lijkt Achterberg de nacht voor de verrijzenis van Christus te beschrijven: "Uw lichaam ligt nog ongestorven, maar haalt geen adem meer tot aan de morgen." Daarnaast gebruikt Achterberg bezwaarlijk onschuldig te noemen titels als: "Drievoudig verbond", "Wedergeboorte", "Herschepping" en "Resurrectio". Tenslotte is in een gedicht als "Vuur" een typisch christelijk gegeven doelbewust ambigu gemaakt: "Ik leef bij dezen als het vuur: / Gij zijt het blindelingse doel / waartoe de vlam zich kromt en hoe / al wat ze raakt verzengt / tot grijze haat, geen wil weerhoudt / den wil die recht / tot u ingaat." Hij stelt zichzelf voor als een vuur, en dit sluit aan bij een typisch Bijbelse beelding (zo zijn er de overbekende "tongen als van vuur" - Hand. 2: 3) zodat het doel van zijn "brandend verlangen" dus Christus zou zijn. Vuur sluit ook aan bij een amoureus-poëtische traditie, waarin zijn doel dus een menselijke geliefde is. Achterberg laat dus de "Gij" in regel twee open.

Deze heel persoonlijke betekenis die Achterberg aan de geliefde hecht zou ontstaan zijn uit het trauma van een gestorven geliefde en de sleutelfiguur van Jezus, die zijn sterven ten dienste stelde van de mensheid. Net als Christus spreekt de geliefde geen woord van verwijt uit, ze vergeeft hem en ze blijft hem beminnen. Er zijn daarnaast nog talloze overeenkomsten tussen de geliefde en Christus. Ze kunnen ten eerste beiden rekenen op de brandende liefde van Achterberg (dit is ondermeer te zien in het gedicht "Vuur"). Hij heeft ten tweede tegen beiden misdreven. Men voelt dit bijvoorbeeld in "Droomballade": " ... ik brak / uw dansen af tot op den grond, / uw lachen vond / den dood onder mijn schaterlach.". Toch blijven beide hem liefhebben. In Strophe III bijvoorbeeld komt zijn geliefde terug terwijl hij beseft haar (hem) onrecht te hebben gedaan: "Zal dan uw liefde groter wezen dan mijn vrees? / Gij kwaamt onverwacht terug en vond mij slapen." Daarnaast zijn de beide geliefden op een onbestemde manier "aanwezig". Het dichten is voor Achterberg een poging om tot hem op te klimmen. Tenslotte zijn de geliefden zonder zonde, en is hun lijden plaatsvervangend. Dit plaatsvervangend lijden is een typisch aspect van de christelijke leer: Christus heeft met zijn lijden het verbond tussen God en mensheid vernieuwd nadat Adam dit door de erfzonde had verbroken. De toepassing van dit thema is te merken in een gedicht met de veelzeggende titel "Het schuldig lied": "nu gij geschonden zijt en gewond // en ik bleef heel, / maar niet dan door uw zuivere mond." Het feit dat de "ik" vrij is en niet gewond is te danken aan de "zuivere mond" van een "jij" figuur (die onder andere geen woord van verwijt uitspreekt tegen hem, en voor hem misschien wel, zoals Jezus aan het kruis, vergiffenis afsmeekt bij God). Ook in "Droomballade" lezen we eenzelfde ervaring. Na het bovenvermelde citaat, waarin een "ik" zijn kwalijk gedrag tegenover een "u" uit de doeken doet, volgt in de volgende strofen: "Toen stond gij op en wond / mijn handen langzaam uit de knoop. [...] En in uwer spiegelzalen / braken de eerste tranen los. / Gij kunt uw dansen weer herhalen. / Ik ben, o dromenbond, verlost." Het is dus de beledigde "Gij" die zelf initiatief neemt om zijn wandaden te vergeven, en dit niet volledig zonder verdriet: de tranen in de spiegelzalen (ogen) kunnen daarop wijzen. De "ik" is door deze ervaring als het ware gelouterd, en zegt de "Gij" dat zijn/haar dansen hervat mag worden.

Binnen deze context van plaatsvervangend lijden kan men ook de vele verwijzingen naar bloed plaatsen. Barendregt zegt hierover: "Het bloed als offerbloed ontschuldigt, heiligt, en lijft leven in bij leven. Omdat de nieuwe mens uit Christus" bloed is voortgekomen in geestelijke zin, kan Achterberg het moederschap als een verborgen analogon zien." Niet alleen wordt "bloed" meerdere keren vermeldt ("Strophe III", "Afscheid", "Licht", "Herboren", "Achter het einde", "Vrouw" en "Tegenwoordigheid"), ook "schoot", als symbool voor moederschap, komt erg vaak voor. De schoot wordt verbonden aan verdriet, als veilig oord om uit te huilen: "Misschien dat ge nog aanwezig zijt / op de plaats waar gij gebleven zijt, / wenend het hoofd in uwen schoot." ("Misschien") en daarbij aansluitend ook als oord voor troost en hernieuwing (op een typisch moederlijke manier) in "Droomballade": "Gij hield mijn hoofd in wind en licht / en woei mij uit en liet doorstralen / dit moegebeefde vlees, het lijf / lag in uw schoot adem te halen." In het gedicht "Droomgericht" tenslotte beschrijft Achterberg hoe hij zich "beschuldigd" waant en hoe hij voor de morgen op een enkel woord van vergeven wacht. In de tweede strofe schrijft hij: "Stilte in de zalen, / alleen het ademhalen / van de kast, een moeder die mij ziet." Hij lijkt het te hebben over het feit dat hij de nacht al wakend doorbrengt in een stil huis, met een kast die af en toe piept. De kast ziet hij als moederfiguur: een rustige adem, toeziend op haar zoon als een element zonder twijfel, een onwrikbare kast.

De ambiguë identiteit van de geliefde lijkt verbonden te zijn met achtergronden en persoonlijkheid van Achterberg. Hij had ten eerste een vrij bewogen amoureus leven: vóór 1930 had Achterberg relaties met Cathrien van Baak en Bep van Zalingen, die beiden strandden op het "seksueel agressieve gedrag" van Achterberg. In 1933, na verpleging in een Utrechtse kliniek, trachtte hij Bep te ontvoeren, wat leidde tot een nieuwe opname. Na zijn ontslag uit een inrichting in Den Dolder verloofde hij zich met Annie Kuiper, een verpleegster. Vier jaar later, op 15 december 1937, vermoordde hij zijn hospita en geliefde Roel van Es en verwondde hij haar dochter. Hij werd korte tijd opgesloten in de gevangenis, daarna jaren in instellingen tot hij op 27 juni 1946 Cathrien van Braak huwde. Na dit huwelijk vond hij - mede dankzij het doodzwijgen van zijn verleden - een wankel evenwicht, enkele perioden van drankmisbruik niet te na gesproken. Hij stierf op 17 januari 1962 aan een hartaanval.

Wim Hazeu oppert in zijn biografie van Achterberg een veelzeggende vraag: "Zou de droom die hij vóór 1937 had - een experiment met de dood (van de geliefde) - ná de aardse realiteit en voltooiing, nog sterk genoeg zijn om telkens in poëzie om te kunnen zetten of op te roepen?" Zonder in detail te treden over zijn poëzie van na 1937, zit in deze vraag een kern van Achterbergs motivatie bij "Afvaart". Hij lijkt een hardnekkige fantasie van zich af te willen schrijven die waarschijnlijk niet vreemd is aan zijn sexueel agressief gedrag (die onder andere in de ontvoering en in de moord tot uiting kwam). Raat, die het boek van Hazeu recenseerde, distilleerde uit de biografie een tweeledige functie die poëzie voor Achterberg lijkt gehad te hebben. Het was voor hem enerzijds een middel om sociale status te verwerven. Het is in dat opzicht niet vreemd dat hij veel bundels heeft opgedragen aan mensen met een belangrijke maatschappelijke positie. Anderzijds wil Achterberg met zijn poëzie de dood overwinnen. Hij vatte dit zelf vrij letterlijk op: "Het moet toch mogelijk zijn een formule te vinden die door haar geladenheid in staat is dode materie tot leven te wekken."

Dit verlangen om dood te overwinnen zal ook verbonden zijn geweest aan de religieuze kant van Achterbergs leven. Hij bleef zijn hele leven lid van de calvinistisch geïnspireerde Gereformeerde Bond. Enkele invloeden van Achterbergs geloof werden reeds besproken. Hier wil ik dan ook nog even het verband tussen verrijzenis en wedergeboorte aanhalen. In het gedicht "Herboren" bijvoorbeeld schrijft Achterberg: "Ik ben geheel terug gekeerd. / Mijn lijf is nergens bezig. / Ik ben een open morgen. / Zo lig ik bij het klokgetik / koel in "t heelal." Net als Christus dus is de "ik" teruggekeerd van een plaats waar men normaal niet van terugkeerd. Hij is een open morgen, alles is mogelijk. In de frase "koel in "t heelal" kan men vrij spontaan een associatie leggen naar het eerder besproken eeuwigheids- en alomtegenwoordigheidskarakter van de geliefde. Achterberg schijnt toegang te hebben tot de wereld van de verloren geliefde. Hij is herboren, en hij schrijft in de laatste regel: "...ogen, die nog sterren waren / in een vorig uur." De geliefde lijkt opnieuw tastbaar geworden.

Tot slot zou ik Barendregt willen citeren, die met dit stuk nogmaals het dooreen lopen van het amoureuze en religieuze benadrukt: "Wie zo menigvuldig van liefde spreekt als Achterberg, maar deze steeds bezwaart met begrippen van eeuwigheid, ja het beoefenen ervan een strijd op leven en dood noemt, spreekt niet meer over aardse liefde alleen. De gedichten van Achterberg blijven gedeeltelijk gesloten, indien men het door hem beleden geloof eruit weghaalt."


Bronnen

Gerrit Achterberg, Verzamelde Gedichten, Querido, Amsterdam, 1963

Hans Barendregt, De identiteit van Achterbergs geliefde, in: Maatstaf

G.H.F. Raat, Een biografie vol feiten, in: Literatuur