Ma Xiu Jia

Bij het einde van een jaar

1 Januari 2006

De klok heeft nog nauwelijks twaalf geslagen in China en ik begin te tijpen. Terwijl in België misschien nog van de laatste zon van 2005 genoten wordt, zit ik hier midden in de donkere nacht in een land dat het niet zo heeft op nieuwjaarsvieringen. Geen vuurwerk, geen baldadig gezwalp over de brede voetpaden, nauwelijks een auto op de straat met aan weerszijden vier rijvakken midden in het centrum van de stad waarin ik woon.

Als het voorbije jaar een betekenis kon hebben, dan was het misschien het jaar waarin ik China een beetje begon te begrijpen. Ik zeg een beetje, maar het is eigenlijk iets minder, een trijfeltje misschien, als me dit neologisme vergeven kan worden. Ik heb me, in het bijzonder in mijn eerste jaar hier, heerlijk gevoeld in mijn pluizige mantel van dilettantisme. Het warme gevoel dat ik me niet druk hoefde te maken om alles wat verkeerd was, omdat het het mijne niet was, en ik er los van stond. Bovendien kon ik dikwijls een glimlach niet onderdrukken wanneer ik het feit beponderde dat ik hier was, en dat ik hier kon zijn, en dat ik dit alles kon zien, terwijl zovelen van de mijnen dat niet konden of wilden of zouden. Ik leefde met hezelfde surplus aan energie als ik voelde terwijl ik een jaar in Spanje woonde. Ik heb vreemdelingenschap uitgeprobeerd en het staat me erg aan.

Dat alles is een beetje veranderd in het voorbije jaar. Al hetgene wat ik blijf zien en horen en doorleven is stilaan doorheen de dikke stenen vestingswallen rond mijn louter observerende geest aan het sijpelen. Veel van mijn overtuigingen, dingen die vroeger onverwoestbare ijzeren pilaren waren in mijn geestesleven, dingen die zo rotsvast en juist leken dat ik me er vaak niet van bewust was dat het slechts overtuigingen waren, zijn stilaan aan het smelten, en onthult wordt slechts een synthetisch rubberen kern. Belgie lijkt steeds kleiner te worden hoe langer ik in het grootste land ter wereld woon. Hoewel ik mijn oog elke dag wat over de website van De Morgen laat lodderen, is de enige reactie die ik vaak kan opbrengen een gefronste zucht, vermoeidheid bij het denken aan zoveel onozeldoenerij van horlepiep-dansende politici in een kleine zandbak. Ik schaam me evenwel om mijn blasé. De wereld is niet meer dezelfde, en toch niet heel anders.

Het is echter geen lofzang op China die ik hier zing. Wanneer ik over mijn toekomst denk zie ik mezelf nog enkele jaren in China. Het is voorwaar een aangename plek voor buitenlanders. De égards vliegen om je hoofd, en, als je niet oppast, ertegen. Tegelijk maak je eerstehands mee hoe anderen erg anders kunnen denken, en tegelijk ook gewoon mensen zijn. Te zien wat wij gemeen hebben, en waar we verschillen. Mij in mijn eigen vrije tijd te kunnen verdiepen in iets fascinerends als het Chinees. Ik bedoel de taal en het schrift, een droom voor elke linguïst, en zij die er niet over dromen, moeten dringend gaan slapen. Ik heb echter ook een oogje op een plek als Canada, een middengrond, een nieuwe wereld, tussen Oost en West, met iets van beiden. Dat is zeker zo mocht ik mij verbinden aan een Chinese vrouw. Canada? Misschien omdat China te vaak schoonheid mist. De overheden hebben er met hun 'schone lei'-beleid op toegezien dat er niet veel overblijft van het oude China, en het nieuwe China lijkt soms niet meer dan een schel vaalgrijs beton waarop bijna anderhalf miljard mensen zich traagzaam voortbewegen van geboorte naar dood.


Contact | Thuis